ECLI:NL:RBDHA:2024:12168
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Beoordeling voortduren maatregel bewaring vreemdeling in het kader van uitzetting
De minister heeft op 28 april 2024 een maatregel van bewaring opgelegd aan eiser op grond van artikel 59 van Pro de Vreemdelingenwet 2000. Eiser heeft beroep ingesteld tegen het voortduren van deze maatregel. De rechtbank heeft het onderzoek gesloten zonder zitting en beoordeelt of het voortduren van de bewaring rechtmatig is.
De rechtbank stelt vast dat zij deze maatregel al twee keer eerder heeft getoetst, waarbij het voortduren tot 7 juni 2024 rechtmatig werd bevonden. De beoordeling richt zich daarom op de periode na deze datum. Eiser voert aan dat de minister onvoldoende voortvarend is in het verkrijgen van een laissez-passer van de Algerijnse autoriteiten, mede vanwege de lange detentie en het late indienen van de aanvraag.
De rechtbank oordeelt dat deze argumenten voor zover zij betrekking hebben op de periode vóór 7 juni 2024 reeds zijn meegewogen. Na die datum blijkt uit de voortgangsrapportage dat de minister op 21 juni 2024 de aanvraag heeft verzonden en op 1 juli 2024 een vertrekgesprek heeft gevoerd met eiser. De minister is afhankelijk van de Algerijnse autoriteiten en mag hen de tijd gunnen voor beoordeling. Eiser toont onvoldoende bereidheid tot medewerking.
Ambtshalve toetsing leidt niet tot een ander oordeel. Het beroep wordt ongegrond verklaard, de maatregel van bewaring blijft in stand en de minister hoeft geen proceskosten te vergoeden. Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.
Uitkomst: Het beroep tegen het voortduren van de maatregel van bewaring wordt ongegrond verklaard en de maatregel blijft van kracht.