Uitspraak
[eiser], V-nummer: [V-nummer], eiser
de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder.
Inleiding
Beoordeling door de rechtbank
Waar gaat de zaak over?
Rechtbank Den Haag
Eiser, van Turkse nationaliteit, vroeg op 4 januari 2024 asiel aan in Nederland. De staatssecretaris nam de aanvraag niet in behandeling omdat uit Eurodac bleek dat eiser op 5 september 2022 al een asielverzoek in Duitsland had ingediend. Eiser betoogde dat het besluit onzorgvuldig was en dat er sprake was van structurele tekortkomingen in de Duitse asielprocedure, evenals een fundamenteel verschil in beschermingsbeleid tussen Nederland en Duitsland.
De rechtbank oordeelde dat het besluit zorgvuldig en voldoende gemotiveerd was. Het interstatelijk vertrouwensbeginsel geldt, waardoor Nederland mag vertrouwen op de Duitse asielprocedure tenzij aannemelijk wordt gemaakt dat er sprake is van een reëel risico op schending van mensenrechten. Eiser slaagde hier niet in, mede omdat hij zijn stellingen onvoldoende met stukken onderbouwde.
Ook het beroep op artikel 17 van Pro de Dublinverordening, dat onverplichte behandeling in Nederland mogelijk maakt bij bijzondere omstandigheden, werd verworpen. De rechtbank vond geen aanwijzingen voor onevenredige hardheid, noch voldoende onderbouwing van familiebanden in Nederland.
Daarom verklaarde de rechtbank het beroep kennelijk ongegrond en wees de voorlopige voorziening af. Eiser krijgt geen proceskostenvergoeding.
Uitkomst: Het beroep wordt kennelijk ongegrond verklaard en het verzoek om een voorlopige voorziening wordt niet-ontvankelijk verklaard.