ECLI:NL:RBDHA:2024:12244

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
5 augustus 2024
Publicatiedatum
5 augustus 2024
Zaaknummer
NL24.27983 en NL24.27984
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Voorlopige voorziening+bodemzaak
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Artikel 30b, eerste lid, onder a van de Vreemdelingenwet 2000Arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 19 maart 2019, Jawo, ECLI:C:EU:2019:218Europees Verdrag tot bescherming van de Rechten van de Mens en de fundamentele vrijheden
Verwijzingen
4 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing asielaanvraag wegens uitsluitend economische motieven

De rechtbank Den Haag heeft op 2 augustus 2024 uitspraak gedaan in de zaak waarin eiser beroep instelde tegen de afwijzing van zijn asielaanvraag door de minister van Asiel en Migratie. De minister had de aanvraag afgewezen als kennelijk ongegrond omdat eiser uitsluitend economische motieven aan zijn aanvraag ten grondslag legde.

Tijdens de zitting, waar eiser werd bijgestaan door een gemachtigde en een tolk aanwezig was, heeft de rechtbank het beroep behandeld en direct uitspraak gedaan. De rechtbank oordeelde dat de minister terecht de aanvraag had afgewezen, mede omdat eiser geen terugkeerbesluit of inreisverbod had en onder de Richtlijn Tijdelijke Bescherming viel.

Eiser stelde dat hij bij terugkeer in Turkmenistan zou worden geconfronteerd met ontoereikende levensomstandigheden en onverschilligheid van de overheid, maar dit werd onvoldoende onderbouwd geacht. Ook werd geoordeeld dat zijn sociaaleconomische situatie niet voldoende was om een schending van artikel 3 EVRM Pro aan te nemen.

De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en wees het verzoek om een voorlopige voorziening af, aangezien op het beroep was beslist. Partijen werden gewezen op de mogelijkheid tot hoger beroep bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen een week na bekendmaking.

Uitkomst: Het beroep tegen de afwijzing van de asielaanvraag als kennelijk ongegrond is ongegrond verklaard en het verzoek om een voorlopige voorziening is afgewezen.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Groningen
Bestuursrecht
zaaknummer: NL24.27983 en NL24.27984
proces-verbaal van de mondelinge uitspraak van de enkelvoudige kamer en de voorzieningenrechter in de zaak tussen

[eiser] , eiser/verzoeker,

V-nummer: [nummer]
(gemachtigde: mr. M.R. van der Pol),
en
de minister van Asiel en Migratie,voorheen de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, de minister
(gemachtigde: mr. J.D. Albarda).

Procesverloop

1. Bij besluit van 5 juli 2024 (het bestreden besluit) heeft de minister de aanvraag van eiser [1] tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd afgewezen als kennelijk ongegrond.
1.1.
Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld en een voorlopige voorziening gevraagd.
1.2.
De rechtbank heeft het beroep, samen met het verzoek om een voorlopige voorziening, op 2 augustus 2024 op zitting behandeld. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Als tolk is verschenen O. Sarikaya. De minister heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.
1.3.
Na afloop van de behandeling van de zaak ter zitting heeft de rechtbank onmiddellijk uitspraak gedaan.

Beslissing

2. De rechtbank verklaart het beroep ongegrond en wijst het verzoek om een voorlopige voorziening af.

Overwegingen

3. De rechtbank geeft hiervoor de volgende motivering.
4. De minister heeft de asielaanvraag van eiser afgewezen als kennelijk ongegrond, omdat eisers verklaringen volgens de minister geen aanknopingspunten hebben met de gronden voor verlening. [2] Eiser beroept zich namelijk uitsluitend op zijn sociaaleconomische omstandigheden in Turkmenistan. Aan eiser is geen terugkeerbesluit of inreisverbod opgelegd, omdat hij onder de Richtlijn Tijdelijke Bescherming valt.
5. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de minister de aanvraag van eiser terecht afgewezen als kennelijk ongegrond, omdat hij alleen economische motieven aan zijn aanvraag ten grondslag heeft gelegd. De minister heeft zich daarbij terecht op het standpunt gesteld dat de vergelijking met het arrest Jawo [3] mank gaat, omdat hier niet de vraag aan de orde is of eisers verdragsrechten in een andere lidstaat zullen worden gerespecteerd.
6. Voor zover eiser los hiervan betoogt dat hij bij terugkeer in Turkmenistan terecht zal komen in een situatie waarin hij verstoken zal blijven van de meest basale levensbehoeften en dat de Turkmeense overheid hier onverschillig tegenover staat, heeft hij dat naar het oordeel van de rechtbank niet (voldoende) onderbouwd en dus niet aannemelijk gemaakt.
7. Dat eisers sociaaleconomische omstandigheden naar zijn mening te wensen over lieten, maakt nog niet dat hij aannemelijk heeft gemaakt dat hem bij terugkeer naar Turkmenistan een schending van artikel 3 EVRM Pro [4] te wachten staat.
8. De aanvraag is terecht afgewezen als kennelijk ongegrond. Het beroep is ongegrond. Aangezien op het beroep is beslist, is een voorlopige voorziening niet meer nodig. De voorzieningenrechter wijst het verzoek om een voorlopige voorziening daarom af. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
9. Partijen zijn gewezen op de mogelijkheid om tegen de mondelinge uitspraak in hoger beroep te gaan op de hieronder omschreven wijze.
Deze uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 2 augustus 2024 door mr. V.A.G. van Dijk, (voorzieningen)rechter, in aanwezigheid van mr. L.J. van der Veen, griffier.
Dit proces-verbaal is bekendgemaakt op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking van dit proces-verbaal.
Tegen de beslissing op het verzoek om een voorlopige voorziening staat geen rechtsmiddel open.

Voetnoten

1.Daar waar in dit proces-verbaal wordt gesproken van eiser kan ook verzoeker worden gelezen.
2.Artikel 30b, eerste lid, onder a van de Vreemdelingenwet 2000.
3.Arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 19 maart 2019, Jawo, ECLI:C:EU:2019:218.
4.Europees Verdrag tot bescherming van de Rechten van de Mens en de fundamentele vrijheden.