ECLI:NL:RBDHA:2024:12264
Rechtbank Den Haag
- Voorlopige voorziening
- Rechtspraak.nl
Afwijzing verzoek voorlopige voorziening tegen Dublinoverdracht naar Frankrijk
Verzoekers, een gezin van Azerbeidzjaanse nationaliteit met minderjarige kinderen, zijn op 29 juli 2024 in vreemdelingenbewaring gesteld en zullen op 6 augustus 2024 naar Frankrijk worden overgedragen op basis van Dublinverordening. Zij hebben meerdere beroepen ingesteld tegen de overdrachtsbesluiten van 18 april 2024, die eerder niet ontvankelijk werden verklaard. Verzoekers vroegen de voorzieningenrechter om een voorlopige voorziening om de overdracht te voorkomen totdat op hun beroepen is beslist.
De voorzieningenrechter stelt vast dat verzoekers niet aannemelijk hebben gemaakt dat het asiel- en opvangsysteem in Frankrijk zodanige tekortkomingen vertoont dat zij bij overdracht een reëel risico lopen op een schending van artikel 3 EVRM Pro of artikel 4 Handvest Pro. Het interstatelijke vertrouwensbeginsel blijft van toepassing, mede bevestigd door recente jurisprudentie en rapporten. Ook wegen de belangen van de minister, waaronder de logistieke voorbereiding van de overdracht, zwaarder dan het belang van verzoekers.
De voorzieningenrechter concludeert dat de overdrachtsbesluiten van 18 april 2024 in rechte vaststaan en dat het verzoek om een voorlopige voorziening daarom moet worden afgewezen. De geplande overdracht op 6 augustus 2024 mag doorgaan. Tegen deze uitspraak is geen hoger beroep mogelijk.
Uitkomst: Het verzoek om een voorlopige voorziening wordt afgewezen, waardoor de Dublinoverdracht naar Frankrijk op 6 augustus 2024 kan plaatsvinden.