ECLI:NL:RBDHA:2024:12269

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
6 augustus 2024
Publicatiedatum
6 augustus 2024
Zaaknummer
NL24.23228
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6 SGCArt. 8 EVRMArt. 14 SGCArt. 4.5 VreemdelingenbesluitArt. 67 Vreemdelingenwet
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Toegangsweigering op grond van SIS-signalering en onvoldoende middelen voor verblijf

Eiser werd op 13 maart 2024 de toegang tot het Schengengebied geweigerd door de Koninklijke Marechaussee vanwege een lopend inreisverbod en het beschikken over onvoldoende middelen voor het verblijf. Eiser stelde administratief beroep in tegen deze weigering, dat door de minister op 7 mei 2024 werd gehandhaafd.

De rechtbank behandelde het beroep op 1 augustus 2024 en oordeelde dat de weigering terecht was. De SIS-signalering berustte op een inreisverbod van tien jaar dat op 21 maart 2013 was opgelegd en niet was opgeheven. Daarnaast beschikte eiser slechts over € 200,-, onvoldoende voor het voorgenomen verblijf van drie maanden, ondanks de stelling dat familie de kosten zou dragen zonder bewijs van garantstelling.

Eiser voerde aan dat het besluit onvoldoende was gemotiveerd en dat de term 'ongewenstverklaring' abusievelijk werd gebruikt in plaats van 'inreisverbod'. De rechtbank stelde dat dit een kennelijke omschrijvingsfout betrof zonder gevolgen voor de rechtmatigheid van het besluit. Ook het beroep op artikel 8 EVRM Pro werd afgewezen omdat dit reeds in eerdere procedures was beoordeeld. Het beroep werd ongegrond verklaard en eiser kreeg geen proceskostenvergoeding.

Uitkomst: Het beroep tegen de toegangsweigering wegens SIS-signalering en onvoldoende middelen wordt ongegrond verklaard.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Groningen
Bestuursrecht
zaaknummer: NL24.23228

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[naam], V-nummer: [nummer], eiser

(gemachtigde: mr. J.P. van Mulken),
en
de minister van Asiel en Migratie [1] ,
(gemachtigde: mr. D. Gökcan).

Inleiding

1.1
Bij besluit van 13 maart 2024 heeft de ambtenaar belast met grensbewaking eiser de toegang tot het Schengengrondgebied geweigerd.
1.2
Eiser heeft administratief beroep tegen de toegangsweigering ingesteld.
1.3
Met het bestreden besluit van 7 mei 2024 is de minister bij dat besluit gebleven.
1.4
Op 25 juli 2024 heeft de minister schriftelijk verweer ingediend.
1.5
De rechtbank heeft het beroep op 1 augustus 2024 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser en zijn gemachtigde, alsmede een tolk en de gemachtigde van de minister.
1.6
Eiser heeft bij het indienen van het beroepschrift verzocht om vrijstelling van de verplichting tot betaling van griffierecht wegens betalingsonmacht. De rechtbank is van oordeel dat eiser voldoet aan de criteria voor betalingsonmacht, zodat de rechtbank aanleiding ziet dat verzoek toe te wijzen.

Beoordeling door de rechtbank

2. De rechtbank beoordeelt het beroep van eiser tegen ongegrondverklaring van zijn administratieve beroep tegen de toegangsweigering. Zij doet dat aan de hand van de beroepsgronden van eiser.
3. De rechtbank verklaart eisers beroep ongegrond
.Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Het bestreden besluit
4. De minister heeft eisers administratieve beroep kennelijk ongegrond verklaard omdat de Koninklijke Marechaussee (KMar) eiser de toegang terecht heeft geweigerd. Eiser voldoet niet aan de voorwaarden voor toegang. Dit staat in artikel 6, artikel 8, onder a, en artikel 14 van Pro de Schengengrenscode (SGC) [2] , in artikel 4.5 van het Vreemdelingenbesluit
(Vb) en in paragraaf A1/4 van de Vreemdelingencirculaire 2000 (Vc). Uit het proces-verbaal van de KMar blijkt dat aan eiser de toegang is geweigerd op grond van artikel 6, eerste lid, onder c en d, van de SGC. De minister stelt dat eiser onvoldoende geld bij zich heeft voor zijn verblijf. Daarbij is er van uit gegaan dat de duur van eisers verblijf drie maanden bedraagt. Eiser beschikte slechts over € 200,- aan contant geld, welk bedrag als onvoldoende is aangemerkt voor de duur van het verblijf. Aan de mondelinge toezegging dat de familie alles zou betalen kan zonder dat daaraan enig bewijsstuk ten grondslag is gelegd, geen waarde worden toegekend. Eiser staat daarnaast gesignaleerd in het Schengen Informatie Systeem (SIS II), hetgeen ook tot toegangsweigering leidt. In de beschikking staat opgenomen dat de signalering is omdat eiser per 21 maart 2013 ongewenst is verklaard (volgens artikel 67 van Pro de Vreemdelingenwet) en dat hij van de ongewenstverklaring op de hoogte was omdat hij daartegen (tevergeefs) rechtsmiddelen heeft aangewend. Er is geen sprake van een opheffing nu dit alleen op basis van een aanvraag plaats kan vinden. Er zijn geen andere redenen om eiser toch nog toegang te geven. De minister heeft geen aanleiding gezien eiser te horen.
Gronden
5. Eiser voert aan dat het bestreden besluit onvoldoende deugdelijk is gemotiveerd ten aanzien van het beschikken over onvoldoende middelen voor de duur en het verblijf in Nederland. Eiser betwist dat hij onvoldoende middelen van bestaan heeft nu hij voor familiebezoek naar Nederland kwam. Het bedrag van € 55 per dag uit de Vc is eiser ten onrechte tegengeworpen, nu dit bedrag dient als richtsnoer waarbij de minister rekening dient te houden met omstandigheden, zoals eisers verblijf bij zijn familie. Bij de toegangscontrole had ook gebeld kunnen worden met de zoon van eiser, die de vragen had kunnen beantwoorden. De minister heeft onvoldoende onderzoek gedaan. Voorafgaand aan de zitting heeft eiser een drietal recente loonstroken van zijn zoon overgelegd en gesteld dat zijn zoon garant staat. Voorts is het besluit ten aanzien van de ongewenstverklaring onvoldoende deugdelijk gemotiveerd omdat er geen sprake is van een ongewenstverklaring maar van een inreisverbod. De minister heeft tot twee maal toe het woord ongewenstverklaring in de beschikking gehanteerd en hij heeft tevens het daarbij behorende wetsartikel vermeld in plaats van het inreisverbod.
Inreisverbod / SIS-signalering
6.1
De rechtbank is van oordeel dat de SIS-signalering op grond van artikel 6, eerste lid, letter d, van de SGC maakt dat eiser terecht de toegang is geweigerd. Bij beschikking van 21 maart 2013 heeft de minister aan eiser een inreisverbod van 10 jaar opgelegd gerekend vanaf de datum dat betrokkene Nederland daadwerkelijk heeft verlaten. Dit inreisverbod is niet opgeheven. Ter zitting is gebleken dat de procedure tot opheffing van het inreisverbod aanhangig is, maar dat betreft een andere procedure die valt buiten dit geschil. De rechtbank beoordeelt thans de toegangsweigering.
6.2
De rechtbank overweegt dat de minister weliswaar in zijn brief van 29 april 2024 en in het bestreden besluit het woord ‘ongewenstverklaring’ heeft gebruikt in plaats van dat er is gewezen op het inreisverbod dat eiser bij voornoemde beschikking is opgelegd, maar deze onjuiste kwalificatie leidt niet tot het oordeel dat het besluit wegens onzorgvuldigheid of onvoldoende motivering vernietigd moet worden, nu dit naar het oordeel van de rechtbank moet worden beschouwd als een kennelijk abusievelijk onjuiste omschrijving. Eiser is bij beschikking van 21 maart 2013 een inreisverbod opgelegd, en bij de uitspraak van de rechtbank van 7 februari 2014 en de uitspraak in hoger beroep van de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State van 24 juni 2014 is het inreisverbod - waar eiser het niet mee eens is - in rechte komen vast te staan. In het bestreden besluit is expliciet verwezen naar de beschikking van 21 maart 2013 waarbij evident een inreisverbod is opgelegd. Voorzover eiser ter zitting nog heeft aangegeven dat hij niet eens is met de onderliggende strafrechtelijke veroordeling die aanleiding heeft gegeven tot de beschikking van 21 maart 2013, kan dat niet tot een ander oordeel leiden nu voornoemde beschikking in rechte vast staat. Deze kennelijk abusievelijk onjuiste omschrijving doet niet af aan de beoordeling dat de SIS-signalering, die als grondslag diende voor de toegangsweigering, terecht is. Voorts is ter zitting niet betwist dat er geen sprake is van een van rechtswege opheffing van het inreisverbod door het verstrijken van een periode van tien jaar. Deze beroepsgrond slaagt niet.
6.3
Voorzover eiser een beroep doet op het bepaalde in artikel 8 van Pro het Europees Verdrag tot Bescherming van de Rechten van de Mens en de Fundamentele Vrijheden
(EVRM) stelt de rechtbank vast dat die beoordeling reeds is beoordeeld in de uitspraak van de rechtbank van 7 februari 2014, welke uitspraak in hoger beroep in stand is gebleven en voorts heeft de minister aangegeven dat eiser dit punt in de aanhangige procedure tot opheffing van het inreisverbod (opnieuw) aan de orde kan stellen. Ook op dit punt slaagt het beroep niet.
Middelen voor verblijf
7.1
Op grond van artikel 6, eerste lid onder c, van de SGC dient eiser te beschikken over voldoende middelen van bestaan voor de duur van het voorgenomen verblijf. In paragraaf A1/4.5 van de Vc staat opgenomen dat de ambtenaar belast met de grensbewaking bij de vaststelling of daaraan wordt voldaan in ieder geval de volgende omstandigheden moet meewegen: de duur van het voorgenomen verblijf, het reisdoel, de persoonlijke omstandigheden en de aard van het gebruikte vervoermiddel. Daarbij is eveneens bepaald dat een vreemdeling die zelfstandig reist in staat moet zijn te voorzien in zijn kosten van verblijf en onderdak. Voor Nederland geldt daarbij een richtsnoer van € 55 per dag, dat is exclusief middelen voor de terugreis. Niet in geschil is dat eiser niet over dit bedrag beschikt, maar hij stelt zich op het standpunt dat voornoemd bedrag een richtsnoer is en dat de minister rekening dient te houden met onder meer in zijn geval de wijze van verblijf, te weten bij zijn familie.
7.2
De rechtbank is van oordeel dat de minister aan een mondelinge mededeling dat eisers familie alles voor hem zou betalen, zonder dat daarbij enig bewijsstuk is overgelegd, geen waarde hoefde toe te kennen. De inhoud van de in beroep overgelegde loonstroken doet daar niet aan af, reeds niet nu een garantstelling nog steeds ontbreekt zodat de minister- nog los van de SIS-registratie - terecht aan dat punt voorbij is gegaan. Deze beroepsgrond slaagt evenmin.

Conclusie en gevolgen

8. Het beroep is ongegrond. Eiser krijgt geen vergoeding van zijn proceskosten.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. D.M. Schuiling, rechter, in aanwezigheid van mr. M.J. Tijnagel, griffier, en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op rechtspraak.nl.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen vier weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

1.Voorheen de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid. Zowel de minister als de staatssecretaris worden voor de leesbaarheid in deze uitspraak aangeduid als de minister.
2.Verordening (EU) 2016/399 van het Europees Parlement en de Raad van 9 maart 2016 betreffende een Uniecode voor de overschrijding van de grenzen door personen (Schengengrenscode