Verzoekster, van Syrische nationaliteit, stelde op 19 april 2024 opnieuw beroep in tegen het niet tijdig beslissen op haar aanvraag van 3 augustus 2022. De minister heeft bij besluit van 29 mei 2024 alsnog aan de aanvraag voldaan. Hierop trok verzoekster haar beroep in en verzocht om vergoeding van proceskosten.
De rechtbank heeft de minister in de gelegenheid gesteld te reageren op het verzoek om proceskostenvergoeding. Op grond van artikel 8:75a van de Algemene wet bestuursrecht en het Besluit proceskosten bestuursrecht oordeelde de rechtbank dat de minister aan verzoekster is tegemoetgekomen door alsnog een besluit te nemen, waardoor het verzoek om proceskostenvergoeding gegrond is.
De rechtbank veroordeelde de minister tot betaling van € 437,50 aan proceskosten, gebaseerd op een puntentelling van 1 punt voor het indienen van het beroepschrift ter waarde van € 875,- en een wegingsfactor van 0,5 wegens de lichte aard van het beroep (alleen niet tijdig beslissen). De uitspraak werd gedaan door rechter A.G.D. Overmars en openbaar gemaakt.