ECLI:NL:RBDHA:2024:12356

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
2 augustus 2024
Publicatiedatum
7 augustus 2024
Zaaknummer
NL24.29168
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 59 Vw 2000Art. 106 Vw 2000Art. 5.1b Vb 2000
Verwijzingen
7 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing beroep tegen maatregel van bewaring en schadevergoeding in vreemdelingenrecht

De minister legde op 21 juli 2024 een maatregel van bewaring op aan eiser op grond van artikel 59 van Pro de Vreemdelingenwet 2000. Eiser stelde beroep in tegen dit besluit en verzocht tevens om schadevergoeding. De minister hief de bewaring op op 29 juli 2024, waarna de rechtbank het beroep op 30 juli 2024 behandelde. Eiser en zijn gemachtigde waren niet aanwezig.

De rechtbank beperkte haar beoordeling tot de vraag of de tenuitvoerlegging van de maatregel onrechtmatig was en of schadevergoeding toekwam. De minister baseerde de bewaring op zware grond 3c en lichte gronden 4a, 4c en 4d uit het Vreemdelingenbesluit 2000. Eiser betwistte de zware grond 3c met medische en psychische klachten, maar de rechtbank oordeelde dat de feitelijke juistheid van deze grond niet was betwist en dat de zware grond en lichte gronden samen de maatregel konden dragen.

Eiser voerde aan dat de minister had moeten volstaan met een lichter middel en dat voorafgaand aan de bewaring onvoldoende onderzoek naar zijn detentiegeschiktheid was gedaan. De rechtbank wees dit af omdat de minister voldoende had gemotiveerd waarom een lichter middel niet volstond en er sprake was van medische monitoring en zorg tijdens de bewaring.

De rechtbank zag geen onrechtmatigheden in de maatregel en verklaarde het beroep ongegrond. Het verzoek om schadevergoeding werd eveneens afgewezen. Er was geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.

Uitkomst: Het beroep tegen de maatregel van bewaring wordt ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding wordt afgewezen.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Arnhem
Bestuursrecht
zaaknummer: NL24.29168

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 2 augustus 2024 in de zaak tussen

[eiser], v-nummer: [nummer], eiser

(gemachtigde: mr. S. Oukil),
en
de minister van Asiel en Migratie [1] ,
(gemachtigde: mr. J. Kaikai).

Procesverloop

Bij het bestreden besluit van 21 juli 2024 heeft de minister aan eiser de maatregel van bewaring op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000) opgelegd.
Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Dit beroep moet tevens worden aangemerkt als een verzoek om toekenning van schadevergoeding.
De minister heeft op 29 juli 2024 de maatregel van bewaring opgeheven.
De rechtbank heeft het beroep op 30 juli 2024 op zitting behandeld. Eiser en zijn gemachtigde zijn, met bericht van verhindering, niet verschenen. De minister is vertegenwoordigd door zijn gemachtigde.

Overwegingen

1. Omdat de bewaring is opgeheven, beperkt de beoordeling zich in deze zaak tot de vraag of aan eiser schadevergoeding moet worden toegekend. In dit verband moet de vraag worden beantwoord of de tenuitvoerlegging van de maatregel van bewaring op enig moment voorafgaande aan de opheffing daarvan onrechtmatig is geweest. Op grond van artikel 106 van Pro de Vw 2000 kan de rechtbank indien de bewaring al is opgeheven vóór de behandeling van het verzoek om opheffing van de bewaring aan eiser een schadevergoeding ten laste van de Staat toekennen.
Kunnen de gronden de maatregel van bewaring dragen?
2. In de maatregel van bewaring heeft de minister overwogen dat de openbare orde de maatregel vorderde, omdat het risico bestond dat eiser zich aan het toezicht zou onttrekken en eiser de voorbereiding van het vertrek of de uitzettingsprocedure ontweek of belemmerde. De minister heeft, onder verwijzing naar artikel 5.1b, eerste, derde en vierde lid, van het Vreemdelingenbesluit (Vb 2000), als zware gronden vermeld dat eiser:
3c. eerder een visum, besluit, kennisgeving of aanzegging heeft ontvangen waaruit de plicht Nederland te verlaten blijkt en hij daaraan niet uit eigen beweging binnen de daarin besloten of gestelde termijn gevolg heeft gegeven;
en als lichte gronden vermeld dat eiser:
4a. zich niet aan een of meer andere voor hem geldende verplichtingen van hoofdstuk 4 van het Vb 2000 heeft gehouden;
4c. geen vaste woon- of verblijfplaats heeft;
4d. niet beschikt over voldoende middelen van bestaan.
2.1
Eiser betwist de zware grond 3c. Volgens eiser kan deze grond hem niet worden tegengeworpen, omdat eiser lijdt aan medische en psychische klachten. Deze klachten maken dat eiser niet bewust de vertrektermijn heeft overschreden en dat hij niet willens en wetens wederrechtelijk in Nederland verblijft.
2.2
Deze beroepsgrond slaagt niet. Voor de zware grond 3c is voldoende dat hij feitelijk juist is. [2] De minister werpt de zware grond 3c op goede gronden tegen omdat deze feitelijk juist is. De feitelijke juistheid wordt in de beroepsgrond van eiser niet betwist.
2.3.
De rechtbank stelt verder vast dat eiser geen van de lichte gronden bestrijdt. De rechtbank ziet ook ambtshalve geen onrechtmatigheden die maken dat de lichte gronden de maatregel van bewaring niet kunnen dragen. Dat betekent dat er voldoende gronden zijn om de maatregel van bewaring te kunnen dragen.
Heeft de minister voldoende gemotiveerd waarom hij niet volstaat met een lichter middel?
3. Eiser voert aan dat de minister had moeten volstaan met een lichter middel dan de inbewaringstelling. Eiser stelt dat hij niet in staat was om de inbewaringstelling op verantwoorde wijze te ondergaan. Eiser stelt bovendien dat de minister verplicht is om voorafgaand aan de inbewaringstelling nader onderzoek te doen naar de detentiegeschiktheid van de vreemdeling. Eiser meent dat dit onderzoek niet heeft plaatsgevonden bij hem.
3.1
Deze beroepsgrond slaagt niet. De minister stelt zich voldoende gemotiveerd op het standpunt dat niet met een lichter middel dan de inbewaringstelling kon worden volstaan. Aan eiser is tijdens het gehoor voorafgaand aan de inbewaringstelling meegedeeld dat hij zich tijdens de inbewaringstelling kan wenden tot de medische dienst. Eiser is ook na het gehoor in observatie geplaatst, op basis van de uitlatingen die hij daar heeft gedaan. De aangeleverde stukken geven ook blijk van continue monitoring en, voor zover nodig, het bieden van medische zorg. De minister heeft daarmee voldoende rekening gehouden met de medische gesteldheid van eiser. Daarom hoeft niet te worden volstaan met het toepassen van een lichter middel dan de inbewaringstelling.
Leidt ambtshalve toetsing tot een ander oordeel?
4. Los van de door eiser aangevoerde beroepsgronden, ziet de rechtbank in de door de minister en eiser verstrekte gegevens geen grond om te komen tot het oordeel dat aan de rechtmatigheidsvoorwaarden voor deze maatregel niet is voldaan. [3]
Conclusie
5. Het beroep is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank:
- verklaart het beroep ongegrond;
- wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. W.P.C.G. Derksen, rechter, in aanwezigheid van mr. D.M. Abrahams, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking.

Voetnoten

1.Voorheen de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid. Zowel de minister als de staatssecretaris worden voor de leesbaarheid in deze uitspraak aangeduid als de minister.
2.ABRvS 25 maart 2020, ECLI:NL:RVS:2020:829.
3.Vergelijk HvJEU 8 november 2022, ECLI:EU:C:2022:858.