ECLI:NL:RBDHA:2024:12362
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Beoordeling van beroep tegen vaststelling einddatum verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd
Eiser, van Tunesische nationaliteit, diende op 8 april 2024 een aanvraag in voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. Deze aanvraag werd op 19 april 2024 afgewezen als kennelijk ongegrond, maar de minister verleende ambtshalve een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd tot 14 juli 2024, gekoppeld aan het verblijfsrecht van zijn kinderen.
Eiser betwistte alleen de vaststelling van de einddatum van zijn verblijfsvergunning en stelde dat deze gelijk zou moeten zijn aan de verblijfsvergunning van zijn kinderen, die loopt tot 7 juli 2028. De minister stelde dat eiser een nieuwe aanvraag moet indienen omdat zijn verblijfsrecht na 14 juli 2024 op een nieuwe grondslag berust, namelijk artikel B9/16.6 van de Vreemdelingencirculaire.
De rechtbank oordeelde dat de minister terecht de verblijfsvergunning heeft verleend tot 14 juli 2024 en dat eiser na die datum geen verblijfsrecht meer heeft zonder nieuwe aanvraag. De minister is niet gehouden om ambtshalve een verblijfsvergunning te verlenen op de nieuwe grondslag, omdat deze niet genoemd wordt in artikel 3.6b van het Vreemdelingenbesluit.
Het beroep is daarom ongegrond verklaard en de beschikking van 19 april 2024 blijft in stand. Eiser krijgt geen proceskostenvergoeding.
Uitkomst: Het beroep is ongegrond verklaard en de verblijfsvergunning van eiser eindigt op 14 juli 2024.