ECLI:NL:RBDHA:2024:1238
Rechtbank Den Haag
- Voorlopige voorziening+bodemzaak
- Rechtspraak.nl
Beroep tegen niet in behandeling nemen asielaanvraag wegens Dublinverordening afgewezen
Eiser, van Syrische nationaliteit, maakte bezwaar tegen het besluit van de staatssecretaris om zijn asielaanvraag niet in behandeling te nemen omdat Kroatië verantwoordelijk zou zijn volgens artikel 20, vijfde lid van de Dublinverordening. Eiser ontkende een asielaanvraag in Kroatië te hebben ingediend en betwistte dat hij deze had ingetrokken.
De rechtbank hield geen zitting en oordeelde dat het beroep kennelijk ongegrond was. De rechtbank stelde vast dat uit Eurodac-gegevens bleek dat eiser op 27 september 2023 in Kroatië een verzoek om internationale bescherming had ingediend, hetgeen eiser bevestigde, hoewel hij stelde daartoe gedwongen te zijn geweest. De rechtbank vond dat verweerder op het interstatelijk vertrouwensbeginsel mocht vertrouwen dat Kroatië zijn verplichtingen nakomt.
Eiser slaagde er niet in aannemelijk te maken dat Kroatië zijn internationale verplichtingen niet nakomt of dat de Eurodac-gegevens onjuist zijn. De rechtbank concludeerde dat het bestreden besluit terecht was genomen. Het verzoek om voorlopige voorziening werd niet-ontvankelijk verklaard en eiser kreeg geen proceskostenvergoeding.
Uitkomst: Het beroep tegen het niet in behandeling nemen van de asielaanvraag wordt kennelijk ongegrond verklaard en het verzoek om voorlopige voorziening wordt niet-ontvankelijk verklaard.