Eiseres, van Oekraïense nationaliteit, diende op 24 februari 2021 een asielaanvraag in. De rechtbank beoordeelt het beroep van eiseres tegen het uitblijven van een besluit op haar aanvraag. Volgens de toepasselijke regelgeving, waaronder artikel 43a van de Vreemdelingenwet 2000 en de Richtlijn Tijdelijke Bescherming, moet de minister binnen zes maanden na afloop van de tijdelijke bescherming beslissen. De tijdelijke bescherming eindigt op 4 maart 2026, waarna de beslistermijn begint.
Eiseres stelde de minister op 22 december 2023 in gebreke, maar deze ingebrekestelling was te vroeg omdat de beslistermijn nog niet was aangevangen. Hierdoor was het niet mogelijk om ontvankelijk beroep in te stellen tegen het niet tijdig beslissen. De rechtbank concludeert daarom dat het beroep niet-ontvankelijk is.
De rechtbank heeft partijen geïnformeerd dat een zitting niet nodig was en heeft de zaak zonder zitting behandeld. De minister hoeft geen proceskosten te vergoeden. Eiseres wordt gewezen op de mogelijkheid om binnen vier weken in beroep te gaan bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.