Verzoeker diende een beroep in tegen het niet tijdig beslissen op zijn aanvraag voor een Verklaring omtrent gedrag (VOG) en verzocht om een voorlopige voorziening. De voorzieningenrechter oordeelde dat het beroep kennelijk gegrond was en bepaalde dat verweerder uiterlijk 30 april 2024 een besluit moest nemen op de VOG-aanvraag.
Omdat er geen lopende beroepsprocedure meer was, werd het verzoek om een voorlopige voorziening niet-ontvankelijk verklaard wegens het ontbreken van connexiteit. Desondanks droeg het verzoek ertoe bij dat verweerder op korte termijn moest beslissen.
Hierdoor werd verweerder veroordeeld tot vergoeding van de proceskosten van € 437,50 en het griffierecht van € 187,- aan verzoeker. De uitspraak werd gedaan zonder zitting en is niet vatbaar voor hoger beroep of verzet.