ECLI:NL:RBDHA:2024:12414
Rechtbank Den Haag
- Beschikking
- Rechtspraak.nl
Afwijzing verzoek aansluitende zorgmachtiging op grond van Wvggz wegens ontbreken ernstig nadeel
De rechtbank Den Haag behandelde op 30 juli 2024 het verzoek van de officier van justitie tot het verlenen van een aansluitende zorgmachtiging op grond van artikel 6:4 Wvggz Pro ten aanzien van betrokkene, die sinds december 2023 verblijft in een HAT-woning en meewerkt aan haar behandeling.
De officier van justitie had het verzoek onderbouwd met medische stukken, waaronder een verklaring van een onafhankelijke psychiater, een zorgplan en een verklaring van de geneesheer-directeur. De advocaat van betrokkene voerde primair niet-ontvankelijkheid aan wegens onvoldoende motivering en slordigheden in het verzoek, subsidiair afwijzing of een kortere termijn van zes maanden.
De rechtbank oordeelde dat de verwijzing naar de medische stukken voldoende is voor de motivering en verklaarde het Openbaar Ministerie ontvankelijk. Inhoudelijk stelde de rechtbank vast dat betrokkene stabiel is, meewerkt aan de behandeling en dat verplichte zorg het afgelopen half jaar niet nodig was. Er is onvoldoende bewijs dat de stoornis van betrokkene een ernstig nadeel veroorzaakt dat alleen met verplichte zorg kan worden voorkomen.
Daarom is niet voldaan aan de criteria voor verplichte zorg en wijst de rechtbank het verzoek af. Tegen deze beschikking staat cassatie open.
Uitkomst: Het verzoek tot het verlenen van een aansluitende zorgmachtiging wordt afgewezen wegens het ontbreken van een ernstig nadeel dat alleen met verplichte zorg kan worden afgewend.