Uitspraak
[verzoeker] , te [woonplaats] , verzoeker
het dagelijks bestuur van de Veiligheidsregio Haaglanden (VRH), verweerder
Inleiding
Beoordeling door de voorzieningenrechter
.
Rechtbank Den Haag
Verzoeker was tijdelijk aangesteld als medewerker Incidentbestrijding IV bij de Veiligheidsregio Haaglanden met een aanstelling die van rechtswege eindigt op 1 oktober 2024. Na meerdere waarschuwingen over zijn houding en gedrag, en het weigeren van instructeurs om hem nog les te geven, werd verzoeker per 7 maart 2024 vrijgesteld van werkzaamheden.
Verzoeker maakte bezwaar tegen deze vrijstelling en het besluit tot beëindiging van zijn aanstelling en verzocht de voorzieningenrechter om een voorlopige voorziening. Hij stelde dat het besluit niet gemotiveerd was, dat hij zijn opleiding wilde afronden en dat er geen wettelijke grondslag was voor de vrijstelling van werkzaamheden.
De voorzieningenrechter oordeelde dat het spoedeisend belang aanwezig was, maar dat verweerder terecht had gehandeld gezien het gedrag van verzoeker en het belang van de dienst. De vrijstelling van werkzaamheden was geen schorsing maar een direct ingrijpen in het belang van de dienst. Verzoeker had geen verbetering getoond en er was geen reden om het besluit in strijd met het recht te achten.
Daarom werd het verzoek om voorlopige voorziening afgewezen. Het bezwaar tegen het besluit kon nog worden voortgezet en het ontbreken van een motivering in het bestreden besluit kon in bezwaar worden hersteld.
Uitkomst: Het verzoek om een voorlopige voorziening tegen het besluit tot beëindiging van de tijdelijke aanstelling en vrijstelling van werkzaamheden wordt afgewezen.