ECLI:NL:RBDHA:2024:12488

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
13 maart 2024
Publicatiedatum
8 augustus 2024
Zaaknummer
23/6488
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vernietiging besluit buiten behandeling stellen urgentieverklaring wegens ontbreken procesbelang

Eiser diende een aanvraag in voor een urgentieverklaring die door verweerder buiten behandeling werd gesteld omdat deze niet via het voorgeschreven formulier was ingediend. Eiser maakte bezwaar, dat ongegrond werd verklaard, waarna hij beroep instelde bij de rechtbank.

Tijdens de zitting gaf de gemachtigde aan dat eiser al geruime tijd in detentie zit, waardoor het resultaat van de procedure voor hem geen feitelijke betekenis heeft. De rechtbank overwoog dat het procesbelang ontbreekt omdat eiser niet in een betere positie kan komen zolang hij in detentie verblijft en de aanvraag niet toegewezen kan worden.

De rechtbank stelde vast dat verweerder het bezwaar ten onrechte ontvankelijk had verklaard, omdat het procesbelang al bij het bezwaar ontbrak. Daarom vernietigde de rechtbank het bestreden besluit en verklaarde het bezwaar niet-ontvankelijk. Een proceskostenveroordeling werd afgewezen omdat eiser al vanaf het begin werd bijgestaan door dezelfde gemachtigde die niet tijdig over de detentie informeerde.

De uitspraak treedt in de plaats van het vernietigde besluit, waardoor de inhoudelijke beoordeling van het bezwaar achterwege blijft.

Uitkomst: Het beroep wordt gegrond verklaard, het bestreden besluit vernietigd en het bezwaar niet-ontvankelijk verklaard wegens ontbreken van procesbelang.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG
Bestuursrecht
zaaknummer: SGR 23/6488

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 13 maart 2024 in de zaak tussen

[eiser] , uit [woonplaats] , eiser

(gemachtigde: mr. I. Car),
en

het college van burgemeester en wethouders van Den Haag, verweerder

(gemachtigde: mr. S.V. Benjamin).

Inleiding

1. Met het besluit van 15 juni 2023 (het primaire besluit) heeft verweerder de aanvraag van eiser voor een urgentieverklaring buiten behandeling gesteld.
1.1.
Met het besluit van 16 augustus 2023 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiser ongegrond verklaard.
1.2.
Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.
1.3.
Verweerder heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
1.4.
De rechtbank heeft het beroep op 28 februari 2024 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: mr. M. Kaplan, als waarnemer van de gemachtigde van eiser, en de gemachtigde van verweerder.

Beoordeling door de rechtbank

Waar gaat deze zaak over?
2. Eiser heeft met de brief van 5 januari 2023 een aanvraag gedaan voor een urgentieverklaring. Verweerder heeft de aanvraag van eiser buiten behandeling gesteld, omdat de aanvraag niet via het daarvoor bestemde formulier is ingediend.
Wat vindt eiser in beroep?
3. Eiser betoogt dat wel een aanvraag is ingediend dan wel dat zijn verzoek in ieder geval als een aanvraag kan worden beschouwd. Zijn verzoek had niet buiten behandeling mogen worden gesteld, omdat geen (termijn voor) herstelverzuim is geboden. Mede gelet op de gezondheidsproblematiek van eiser had verweerder zich coulanter kunnen opstellen. Ten slotte is eiser in bezwaar ten onrechte niet gehoord.

Wat is het oordeel van de rechtbank?

4. De rechtbank ziet zich ambtshalve voor de vraag gesteld of eiser nog voldoende procesbelang heeft bij een inhoudelijke beoordeling van het bestreden besluit. Volgens vaste rechtspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) is de bestuursrechter alleen tot het beantwoorden van rechtsvragen geroepen, als het resultaat dat de indiener van het beroepschrift met het indienen van beroep nastreeft, ook daadwerkelijk bereikt kan worden en het realiseren van dat resultaat voor betrokkene feitelijke betekenis kan hebben. Het hebben van een louter formeel of principieel belang is onvoldoende voor het aannemen van processueel belang.
4.1.
Ter zitting heeft de gemachtigde van eiser aangegeven dat eiser al ongeveer een jaar in detentie zit. Het is onduidelijk wanneer eiser uit detentie komt. Volgens de gemachtigde van eiser is het procesbelang gelegen in de toetsing van de rechtmatigheid van het bestreden besluit, een proceskostenveroordeling en dat verweerder een dwangsom heeft verbeurd.
4.2.
De rechtbank is van oordeel dat eiser voor wat betreft het buiten behandeling stellen van de aanvraag om een urgentieverklaring niet in een betere positie kan komen met deze procedure. Hoewel eiser de rechtmatigheid van het bestreden besluit getoetst wenst te zien kan het resultaat voor eiser op dit moment geen feitelijke betekenis hebben, omdat hij in detentie zit en onduidelijk is wanneer dit zal veranderen. Het hoogst haalbare resultaat van de procedure is daarbij dat eiser alsnog een termijn krijgt om het daartoe bestemde formulier in te vullen, nu niet in geschil is dat verweerder het doen van een aanvraag met dit formulier op goede gronden verplicht heeft gesteld in de toepasselijke regelgeving. Dit neemt echter niet weg dat zolang eiser in detentie zit de aanvraag om een urgentieverklaring niet toegewezen kan worden, zodat de mogelijkheid om alsnog een formulier in te dienen evenmin zinvol is. Dit zou betekenen dat eiser geen procesbelang meer heeft in beroep ware het niet dat hij om een vergoeding van zijn proceskosten in de bezwaarprocedure heeft verzocht, hetgeen volgens vaste jurisprudentie op zichzelf al procesbelang oplevert in beroep.
4.3.
Nu eiser kennelijk niet lang na de aanvraag al in detentie terecht is gekomen, was evenwel het procesbelang al vervallen toen namens eiser bezwaar werd gemaakt tegen het primaire besluit. Indien alle relevante gegevens bekend waren geweest bij verweerder, had deze het bezwaar om die reden niet-ontvankelijk moeten verklaren. De rechtbank zal daarom het beroep gegrond verklaren, het bestreden besluit vernietigen en zelf in de zaak voorzien door het bezwaar niet-ontvankelijk te verklaren. Dit leidt niet tot een veroordeling in de proceskosten van eiser. Hierbij is van belang dat eiser al vanaf het begin van de procedure wordt bijgestaan door dezelfde gemachtigde. Het had op de weg van de gemachtigde gelegen om – zo de detentie al niet aanleiding had moeten zijn om de aanvraag in te trekken – in ieder geval verweerder tijdig op de hoogte te stellen van de detentie. Nu hij dit heeft nagelaten en de procedure desalniettemin heeft voortgezet bestaat geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling in beroep dan wel bezwaar. Evenmin was aanleiding voor het toekennen van een dwangsom vanwege het niet tijdig beslissen op het bezwaar.

Conclusie en gevolgen

5. Het beroep is gegrond. Het bestreden besluit wordt vernietigd nu verweerder ten onrechte eiser ontvankelijk heeft geacht in zijn bezwaar, nu het procesbelang ontbrak. De rechtbank zal het bezwaar daarom niet-ontvankelijk verklaren en bepalen dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde besluit. Dat betekent dat de rechtbank aan de inhoudelijke gronden van eiser niet toekomt. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding. Eiser heeft geen griffierecht betaald, waardoor verweerder geen griffierecht hoeft te vergoeden.

Beslissing

De rechtbank:
  • verklaart het beroep gegrond;
  • vernietigt het bestreden besluit;
  • verklaart het bezwaar tegen het besluit van 15 juni 2023 niet-ontvankelijk;
  • bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde besluit;
  • wijst het verzoek om een veroordeling van verweerder in de proceskosten van eiser af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. D. Biever, rechter, in aanwezigheid van mr. E.H. Maas, griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 13 maart 2024.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.