ECLI:NL:RBDHA:2024:12528
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Proceskostenvergoeding na overschrijding beslistermijn asielaanvraag
Verzoeker diende op 20 september 2022 een asielaanvraag in. Verweerder vroeg op grond van de Dublinverordening om overdracht naar Italië, welke aanvankelijk werd geaccepteerd. De Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State bepaalde echter op 26 april 2023 dat het interstatelijk vertrouwensbeginsel ten aanzien van Italië niet langer geldt, waardoor verweerder verantwoordelijk werd voor de behandeling van de asielaanvraag.
Verweerder nam pas op 28 februari 2024 een inwilligend besluit, waarna verzoeker het beroep introk en proceskostenvergoeding vorderde. De rechtbank oordeelt dat het beroep ontvankelijk zou zijn geweest indien het niet was ingetrokken en dat verweerder geheel of gedeeltelijk aan het beroep tegemoet is gekomen. De beslistermijn was verlengd tot 20 december 2023, maar verweerder stelde verzoeker pas op 3 januari 2024 in gebreke.
Gezien de overschrijding en het feit dat verzoeker een professionele gemachtigde inschakelde, veroordeelt de rechtbank verweerder tot betaling van €437,50 aan proceskosten. De rechtbank ziet geen bezwaar van verweerder tegen vergoeding en wijst het verzoek toe conform artikel 8:75a Awb en het Besluit proceskosten bestuursrecht.
Uitkomst: De rechtbank veroordeelt verweerder tot betaling van €437,50 aan proceskosten wegens overschrijding van de beslistermijn op de asielaanvraag.