ECLI:NL:RBDHA:2024:12553

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
7 augustus 2024
Publicatiedatum
9 augustus 2024
Zaaknummer
NL24.23805
Type
Uitspraak
Uitkomst
Overig
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beroep niet-ontvankelijk wegens ontbreken procesbelang na vertrek met onbekende bestemming

Eiser heeft beroep ingesteld tegen het besluit van 7 juni 2024 waarbij zijn asielaanvraag als kennelijk ongegrond werd afgewezen. De rechtbank behandelde het beroep op 1 augustus 2024, waarbij eiser en zijn gemachtigde niet verschenen waren, met bericht van verhindering. Verweerder werd vertegenwoordigd door zijn gemachtigde.

De rechtbank stelde vast dat eiser met onbekende bestemming is vertrokken, zoals door verweerder en de gemachtigde van eiser bevestigd. De gemachtigde gaf aan sinds 18 juli 2024 geen contact meer te hebben met eiser en geen informatie te bezitten die het vertrek met onbekende bestemming zou betwisten. Hierdoor concludeerde de rechtbank dat eiser geen procesbelang meer heeft bij de inhoudelijke beoordeling van zijn beroep.

Op grond hiervan verklaarde de rechtbank het beroep niet-ontvankelijk. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd. De uitspraak werd openbaar uitgesproken door rechter A.C.J. van Dooijeweert en griffier R. de Mul. Tegen deze uitspraak staat hoger beroep open bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na bekendmaking.

Uitkomst: Het beroep van eiser is niet-ontvankelijk verklaard wegens ontbreken van procesbelang na vertrek met onbekende bestemming.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Middelburg
Bestuursrecht
zaaknummer: NL24.23805
proces-verbaal van de mondelinge uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser], eiser

V-nummer: [V-nummer]
(gemachtigde: mr. A.W.J. van der Meer),
en
de minister van Asiel en Migratie, voorheen de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder
(gemachtigde: mr. L.S. Hartog).

Procesverloop

Bij besluit van 7 juni 2024 (het bestreden besluit) heeft verweerder de asielaanvraag afgewezen als kennelijk ongegrond.
Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.
De rechtbank heeft het beroep op 1 augustus 2024 op zitting behandeld. Eiser en zijn gemachtigde zijn, met bericht van verhindering, niet verschenen. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.
Na afloop van de behandeling van de zaak ter zitting heeft de rechtbank onmiddellijk uitspraak gedaan.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep niet-ontvankelijk.

Overwegingen

1. De rechtbank ziet zich allereerst voor de vraag gesteld of eiser procesbelang heeft bij zijn beroep.
2. Bij brief van 23 juli 2024 heeft verweerder meegedeeld dat eiser met onbekende bestemming is vertrokken. De rechtbank heeft op 23 juli 2024 de gemachtigde van eiser verzocht kenbaar te maken of hij nog recent contact heeft gehad met eiser en hij op de hoogte is van zijn verblijfplaats. Bij brief van 25 juli 2024 heeft de gemachtigde van eiser meegedeeld dat hij sinds 18 juli 2024 geen contact meer heeft met eiser en dat hij niet beschikt over stukken of informatie waarmee hij in twijfel kan trekken dat eiser met onbekende bestemming is vertrokken. Ter zitting heeft verweerder aangegeven dat inmiddels in de stukken zich ook een melding bevindt dat eiser met ingang van 18 juli 2024 met onbekende bestemming is vertrokken.
3. Gelet op het vorenstaande neemt de rechtbank aan dat eiser niet langer prijs stelt op de aanvankelijk gezochte internationale bescherming in Nederland. Eiser heeft dan ook geen belang meer bij de inhoudelijke beoordeling van zijn beroep.
4. Het beroep is daarom niet-ontvankelijk.
5. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Deze uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 1 augustus 2024 door mr. A.C.J. van Dooijeweert, rechter, in aanwezigheid van mr. R. de Mul, griffier, en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
Dit proces-verbaal is bekendgemaakt op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking van dit proces-verbaal.