ECLI:NL:RBDHA:2024:12737
Rechtbank Den Haag
- Voorlopige voorziening
- Rechtspraak.nl
Afwijzing voorlopige voorziening bij aanvraag levenlanglerenkrediet voor masteropleiding
Verzoeker, geboren in 1998, vroeg om een levenlanglerenkrediet voor een voltijdse wo-master Rechtsgeleerdheid aan de Erasmus Universiteit Rotterdam. De minister van OCW/DUO wees de aanvraag af omdat verzoeker geen hbo-bachelor of universitaire masterdiploma bezit en jonger is dan 30 jaar.
Verzoeker maakte bezwaar en vroeg vervolgens om een voorlopige voorziening om toch met de studie te kunnen starten. Hij stelde dat hij een spoedeisend belang had en dat er sprake was van ongerechtvaardigd onderscheid tussen hbo- en wo-bacheloropleidingen. Tevens verzocht hij om toepassing van de hardheidsclausule.
De voorzieningenrechter oordeelde dat verzoeker zijn financieel spoedeisend belang onvoldoende had onderbouwd, omdat alleen een overzicht van uitgaven was overgelegd zonder onderbouwing van inkomsten. Er was geen acute financiële noodsituatie aannemelijk gemaakt. Ook was het besluit niet evident onrechtmatig, zodat geen voorlopige voorziening kon worden getroffen.
Het verzoek werd daarom afgewezen. De behandeling van het beroep op het bestreden besluit zal door de rechtbank worden voortgezet. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: Het verzoek om voorlopige voorziening wordt afgewezen wegens ontbreken van spoedeisend belang en omdat het besluit niet evident onrechtmatig is.