ECLI:NL:RBDHA:2024:12772

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
12 augustus 2024
Publicatiedatum
14 augustus 2024
Zaaknummer
NL23.33653
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:54 AwbArt. 8:75 AwbArt. 8:75a AwbArt. 8:41 Awb
Verwijzingen
6 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Toewijzing proceskosten na intrekking beroep wegens niet tijdig beslissen mvv-aanvraag

Verzoekers dienden op 24 oktober 2023 beroep in tegen het niet tijdig beslissen op hun aanvraag voor een machtiging tot voorlopig verblijf (mvv) voor hun minderjarige kinderen. Op 30 mei 2024 berichtte de minister van Asiel en Migratie dat aan verzoekers en hun kinderen een mvv en verblijfsvergunning werd toegekend. Hierop trokken verzoekers hun beroep in en verzochten om vergoeding van de proceskosten.

De rechtbank oordeelde dat de minister geheel aan het beroep tegemoet was gekomen door alsnog tijdig te beslissen. Op grond van artikel 8:75a Awb werd de minister veroordeeld tot vergoeding van de proceskosten, vastgesteld op € 437,50, gebaseerd op een wegingsfactor 'licht' vanwege de beperkte aard van het beroep.

Daarnaast werd het verzoek om vrijstelling van griffierecht vanwege betalingsonmacht toegewezen. De minister is niet gehouden het griffierecht te vergoeden. De uitspraak werd gedaan zonder zitting en openbaar gemaakt op 12 augustus 2024.

Uitkomst: De minister wordt veroordeeld tot betaling van € 437,50 aan proceskosten na intrekking van het beroep wegens niet tijdig beslissen op de mvv-aanvraag.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Middelburg
Bestuursrecht
zaaknummer: NL23.33653

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[verzoekster], verzoekster,

[verzoeker], verzoeker,
mede namens hun minderjarige kinderen,samen: verzoekers,
V-nummers: [V-nummer 1] en [V-nummer 2]
(gemachtigde: mr. R.C. van den Berg),
en
de minister van Asiel en Migratie, voorheen de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder.

Procesverloop

Verzoekers hebben op 24 oktober 2023 beroep ingesteld tegen het niet tijdig beslissen op de namens hen ingediende aanvraag voor een machtiging tot voorlopig verblijf (mvv) voor verblijf bij [naam] (referent).
Bij kennisgeving van 30 mei 2024 heeft verweerder bericht dat verzoekers en hun minderjarige kinderen een mvv krijgen om naar Nederland te reizen en een Nederlandse verblijfsvergunning.
Verzoekers hebben vervolgens het beroep ingetrokken en daarbij verzocht om verweerder te veroordelen tot vergoeding van de proceskosten.
De rechtbank doet op grond van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) uitspraak zonder zitting.

Overwegingen

1. De veroordeling van een partij in de proceskosten is geregeld in de artikelen 8:75 en 8:75a van de Awb en nader uitgewerkt in het Besluit proceskosten bestuursrecht. Als een beroep wordt ingetrokken, omdat het bestuursorgaan geheel of gedeeltelijk aan de indiener van het beroepschrift is tegemoet gekomen, kan de rechtbank op verzoek van de indiener dat bestuursorgaan bij afzonderlijke uitspraak veroordelen in de proceskosten. Dit is geregeld in artikel 8:75a van de Awb.
2. Nu verweerder niet binnen de hiervoor geldende termijn op de aanvraag heeft besloten en deze aanvraag hangende een beroep tegen het niet tijdig beslissen heeft ingewilligd, is verweerder geheel aan het beroep van verzoekster tegemoetgekomen.
3. Het verzoek wordt als kennelijk gegrond toegewezen. De rechtbank veroordeelt verweerder in de door verzoekers gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 437,50 (1 punt voor het indienen van het beroepschrift met een waarde per punt van € 875 met een wegingsfactor 0,5). De rechtbank is van oordeel dat de wegingsfactor ‘licht’ van toepassing is aangezien het beroep alleen ziet op het niet tijdig nemen van een besluit.
4. Verzoekers hebben verzocht om vrijstelling van de verplichting griffierecht te betalen vanwege betalingsonmacht. Verzoekers hebben dit verzoek voldoende onderbouwd. De rechtbank wijst het verzoek om vrijstelling van het griffierecht toe. Verweerder is dan ook niet gehouden om op grond van d van artikel 8:41, zevende lid, van de Awb het griffierecht te vergoeden.

Beslissing

De rechtbank:
- veroordeelt verweerder in de proceskosten van verzoekers tot een bedrag van
€ 437,50 (vierhonderdzevenendertig euro en vijftig cent).
Deze uitspraak is gedaan op 12 augustus 2024 door mr. A.C.J. van Dooijeweert, rechter, in aanwezigheid van A.S.J.I. Hendrickx, griffier, en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op
www.rechtspraak.nl
De uitspraak is bekendgemaakt op:
Informatie over verzet
Als partijen het niet eens zijn met deze uitspraak, kunnen zij een verzetschrift sturen naar de rechtbank waarin zij uitleggen waarom zij het niet eens zijn met deze uitspraak. Het verzetschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Als partijen graag een zitting willen om het verzetschrift toe te lichten, moeten zij dit in het verzetschrift vermelden.