ECLI:NL:RBDHA:2024:12773

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
12 augustus 2024
Publicatiedatum
14 augustus 2024
Zaaknummer
NL22.22450
Type
Uitspraak
Uitkomst
Overig
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:54 AwbArt. 6:20 AwbArt. 8:75 AwbArt. 4:17 AwbArt. 4:18 Awb
Verwijzingen
8 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beroep tegen niet-tijdig beslissen asielaanvraag niet-ontvankelijk en beroep tegen besluit ongegrond

Eiser stelde beroep in tegen het niet-tijdig beslissen op zijn asielaanvraag van 15 april 2022. Verweerder heeft de aanvraag op 23 maart 2023 alsnog ingewilligd. De rechtbank stelde eiser in de gelegenheid te reageren, maar hij reageerde niet.

De rechtbank oordeelt dat het beroep tegen het niet-tijdig beslissen niet-ontvankelijk is omdat het beroep feitelijk is komen te vervallen door de inwilliging van de aanvraag. Het beroep tegen het besluit van 23 maart 2023 is ongegrond, mede omdat eiser geen gronden tegen dit besluit heeft aangevoerd en omdat op grond van de Tijdelijke wet opschorting dwangsommen geen bestuurlijke dwangsommen kunnen worden verbeurd.

Ten slotte is geen proceskostenveroordeling opgelegd omdat de ingebrekestelling door eiser te vroeg was ingediend, terwijl de beslistermijn door een wetswijziging was verlengd. De rechtbank verklaart het beroep tegen het niet-tijdig beslissen niet-ontvankelijk en het beroep tegen het besluit ongegrond.

Uitkomst: Het beroep tegen het niet-tijdig beslissen is niet-ontvankelijk en het beroep tegen het besluit ongegrond verklaard zonder proceskostenveroordeling.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Middelburg
Bestuursrecht
zaaknummer: NL22.22450

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser], eiser,

V-nummer: [V-nummer],
(gemachtigde: mr. M.P.J.W.M. Govers),
en
de minister van Asiel en Migratie, voorheen de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder,
(gemachtigde: [naam]).

Inleiding

Eiser heeft op 3 november 2022 beroep ingesteld tegen het niet-tijdig beslissen op zijn asielaanvraag van 15 april 2022.
Bij besluit van 23 maart 2023 heeft verweerder de asielaanvraag van eiser ingewilligd.
De rechtbank heeft bij brief van 27 maart 2023 eiser in de gelegenheid gesteld om binnen twee weken kenbaar te maken of hij het eens is met het besluit van 23 maart 2023.
Eiser heeft hierop niet gereageerd.
De rechtbank doet op grond van artikel 8:54, eerste lid, van de Awb [1] uitspraak zonder zitting.

Overwegingen

1. Voor zover het beroep is gericht tegen het niet tijdig nemen van een besluit op de asielaanvraag van eiser, dient te worden vastgesteld dat met de inwilliging van deze aanvraag aan het beroep is tegemoetgekomen zodat eiser gelet op artikel 6:20, derde lid, van de Awb geen procesbelang meer heeft. Het beroep tegen het niet tijdig nemen van een besluit is derhalve kennelijk niet-ontvankelijk.
2. De rechtbank constateert dat het alsnog genomen besluit niet geheel aan het beroep van eiser tegemoet komt, omdat eiser de rechtbank heeft verzocht om de hoogte van de verbeurde bestuurlijke dwangsom vast te stellen. Het beroep heeft daarom, op grond van artikel 6:20, derde lid, van de Awb, mede betrekking op het alsnog genomen besluit van 23 maart 2023.
3. De Tijdelijke wet [2] sluit uit dat de artikelen 4:17 tot en met 4:19 en 8:55c van de Awb worden toegepast op besluiten op asielaanvragen. Het gevolg hiervan is dat verweerder aan eiser geen bestuurlijke dwangsommen kan verbeuren. Dit leidt daarom niet tot een geslaagd beroep. Nu eiser overigens geen gronden heeft ingediend tegen het besluit van 23 maart 2023 is het beroep tegen dit besluit kennelijk ongegrond.
4. Vervolgens moet worden bezien of in de omstandigheden van het geval, en in het bijzonder de reden voor het vervallen van het belang bij het beroep, grond is gelegen over te gaan tot een proceskostenveroordeling. Een dergelijke grond kan zijn gelegen in de omstandigheid dat het desbetreffende bestuursorgaan aan de betrokkene is tegemoetgekomen. Indien zich een dergelijke grond voordoet, is krachtens artikel 8:75 van Pro de Awb een proceskostenveroordeling mogelijk.
5. De aanvraag van eiser is ontvangen op 15 april 2022. Eiser heeft verweerder op 19 oktober 2022 in gebreke gesteld. Op die datum was de beslistermijn op de asielaanvraag echter nog niet verstreken. De wettelijke beslistermijn van zes maanden was met de WBV 2022/22 namelijk met negen maanden verlengd. Dat betekent dat de ingebrekestelling van 11 april 2023 te vroeg is ingediend. Gelet op die omstandigheid bestaat geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.

Beslissing

De rechtbank:
- verklaart het beroep, voor zover gericht tegen het niet-tijdig beslissen op de aanvraag, niet-ontvankelijk;
- verklaart het beroep, voor zover gericht tegen het besluit van 23 maart 2023, ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan op 12 augustus 2024 door mr. A.C.J. van Dooijeweert, rechter, in aanwezigheid van mr. J. de Winter, griffier, en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op
www.rechtspraak.nl.
De uitspraak is bekendgemaakt op:
Bent u het niet eens met deze uitspraak?
Als u het niet eens bent met deze uitspraak, kunt u een brief sturen naar de rechtbank waarin u uitlegt waarom u het er niet mee eens bent. Dit heet een verzetschrift. U moet dit verzetschrift indienen binnen 6 weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. U ziet deze datum hierboven. Als u graag een zitting wilt waarin u uw verzetschrift kunt toelichten, kunt u dit in uw verzetschrift vermelden.

Voetnoten

1.Algemene wet bestuursrecht.
2.De Tijdelijke wet opschorting dwangsommen IND.