Eiser heeft bezwaar gemaakt tegen de aanslag inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen (IB/PVV) voor het jaar 2021, specifiek tegen de vaststelling van het box 3-inkomen. De aanslag was gebaseerd op een forfaitair rendement van € 32.784, terwijl het werkelijk behaalde rendement slechts € 2.274,03 bedroeg.
De rechtbank heeft geoordeeld dat de forfaitaire rendementsgrondslag niet aansluit bij het feitelijk genoten rendement, in lijn met recente jurisprudentie van het gerechtshof Den Haag. Daarom werd het box 3-inkomen verminderd tot het daadwerkelijke rendement van € 2.274, met inachtneming van een correctie voor dubbele belasting van buitenlandse dividenden.
De rechtbank verklaarde het beroep gegrond, vernietigde de uitspraak op bezwaar, en droeg verweerder op de aanslag aan te passen. Tevens werd verweerder veroordeeld tot vergoeding van de proceskosten van eiser. Partijen kunnen binnen zes weken hoger beroep instellen bij het gerechtshof Den Haag.