In deze zaak verzocht de gecertificeerde instelling om verlenging van de ondertoezichtstelling van vier minderjarige kinderen vanwege onvoldoende zicht op opvoedvaardigheden en aanhoudende conflicten tussen ouders die de kinderen negatief beïnvloeden.
De vader en stiefmoeder voerden verweer en stelden dat de kinderen al twee jaar bij de vader wonen, er grote stappen zijn gemaakt, en dat de hulpverlening geaccepteerd wordt. Zij benadrukten dat de ondertoezichtstelling een te ingrijpende maatregel is voor de huidige situatie en dat de lopende omgangszaak en vrijwillige hulpverlening voldoende zijn.
De moeder steunde de verlenging vanwege zorgen over de emotionele toestand van de kinderen en de noodzaak van sturing en begeleiding.
De kinderrechter oordeelde dat er nog sprake is van een ontwikkelingsbedreiging door spanningen tussen ouders, maar dat de noodzakelijke zorg wordt geaccepteerd door de vader die het eenhoofdig gezag heeft. De problematiek kan via minder ingrijpende middelen, zoals vrijwillige hulpverlening en afspraken in de omgangszaak, worden aangepakt. Daarom werd het verzoek tot verlenging afgewezen.