ECLI:NL:RBDHA:2024:12934

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
15 augustus 2024
Publicatiedatum
15 augustus 2024
Zaaknummer
NL24.30089
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 59 Vw 2000Art. 96 lid 3 Vw 2000
Verwijzingen
5 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Ongegrond verklaring van beroep tegen voortduren maatregel van bewaring vreemdeling

Eiser, een vreemdeling van Algerijnse nationaliteit, is op 27 februari 2024 in bewaring gesteld op grond van artikel 59 van Pro de Vreemdelingenwet 2000. Hij stelde beroep in tegen het voortduren van deze maatregel en verzocht tevens om schadevergoeding. De rechtbank heeft het beroep behandeld op 9 augustus 2024, waarbij eiser werd bijgestaan door een gemachtigde en tolk.

De rechtbank overwoog dat de maatregel van bewaring reeds eerder was getoetst en toen rechtmatig werd bevonden tot 28 juni 2024. De beoordeling richtte zich daarom op het voortduren van de maatregel na die datum. Eiser voerde aan dat er geen zicht is op uitzetting vanwege het uitblijven van een laissez-passer door de Algerijnse autoriteiten en stelde zorg te dragen voor een minderjarige zoon, maar kon dit niet staven met stukken.

De rechtbank vond geen aanleiding om aan te nemen dat het zicht op uitzetting ontbreekt, mede omdat de Algerijnse autoriteiten hadden ingestemd met het afgeven van een laissez-passer. Daarnaast handelde de minister voortvarend door meerdere malen te appelleren op de laissez-passer-aanvraag en vertrekgesprekken te voeren. Het beroep werd ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding afgewezen. Er werd geen proceskostenveroordeling uitgesproken.

Uitkomst: Het beroep tegen het voortduren van de maatregel van bewaring wordt ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding afgewezen.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Groningen
Bestuursrecht
zaaknummer: NL24.30089

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[naam], eiser,

geboren op [geboortedatum],
van Algerijnse nationaliteit,
v-nummer: [v-nummer],
(gemachtigde: mr. G.A. Dorsman),
en
de minister van Asiel en Migratie,de minister, (voorheen de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid).
(gemachtigde: mr. M. Weerman).

Procesverloop

De minister heeft op 27 februari 2024 aan eiser de maatregel van bewaring op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) opgelegd. Deze maatregel duurt nog voort.
Eiser heeft tegen het voortduren van de maatregel van bewaring beroep ingesteld. Daarbij heeft hij verzocht om schadevergoeding.
De minister heeft een voortgangsrapportage overgelegd.
Eiser heeft hierop gereageerd.
De rechtbank heeft het beroep op 9 augustus 2024 en met behulp van telehoren op zitting behandeld. Eiser is verschenen op het detentiecentrum Rotterdam en is daar bijgestaan door zijn gemachtigde en een (telefonische) tolk. De minister heeft zich op de rechtbank laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. De rechtbank heeft het onderzoek ter zitting gesloten.

Overwegingen

1. Indien de rechtbank van oordeel is dat de toepassing of tenuitvoerlegging van de maatregel van bewaring in strijd is met de Vw dan wel bij afweging van alle daarbij betrokken belangen in redelijkheid niet gerechtvaardigd is, verklaart zij op grond van artikel 96, derde lid, van de Vw het beroep gegrond en beveelt zij de opheffing van de maatregel of een wijziging van de wijze van tenuitvoerlegging daarvan.
2. De rechtbank stelt voorop dat zij deze maatregel van bewaring al eerder heeft getoetst. Uit de uitspraak van 2 juli 2024 (in de zaak NL24.25398) volgt dat de maatregel van bewaring tot het moment van het sluiten van het onderzoek dat aan die uitspraak ten grondslag ligt, rechtmatig was. Daarom is bij de beoordeling van de rechtmatigheid van het voortduren van de maatregel van bewaring slechts de periode van belang sinds het moment van het sluiten van dat onderzoek op 28 juni 2024.
3. Eiser voert aan dat er geen sprake is van zicht op uitzetting binnen een redelijke termijn nu de Algerijnse autoriteiten na 5 maanden nog altijd geen lp hebben afgegeven. Ook stelt eiser een minderjarige zoon te hebben en hier zorg voor te dragen, maar niet de gelegenheid te krijgen om dit te staven met stukken.
4. De beroepsgronden slagen niet. De inbewaringstelling is in strijd met artikel 59, van de Vw 2000 en het Unierecht indien zicht op uitzetting ontbreekt. Voor dat oordeel ziet de rechtbank geen aanleiding. De rechtbank stelt hierbij voorop dat zicht op uitzetting binnen een redelijke termijn naar Algerije in het algemeen niet ontbreekt. [1] In het specifieke geval van eiser blijkt bovendien uit het verslag van de presentatie op 24 juli 2024 dat de Algerijnse autoriteiten hebben ingestemd met het afgeven van een lp voor eiser. Er is derhalve geen aanleiding voor het oordeel dat zicht op uitzetting ontbreekt. De rechtbank overweegt daarbij dat indien eiser de gestelde zorg voor zijn kind wil staven met stukken maar hier zelf niet de gelegenheid toe heeft, hij zich voor hulp moet wenden tot zijn gemachtigde of naasten.
4.1.
De rechtbank is voorts van oordeel dat de minister sinds het sluiten van het onderzoek in de vorige procedure voldoende voortvarend heeft gehandeld. De minister heeft in die periode tweemaal geappelleerd op de lp-aanvraag (op 10 juli 2024 en op 30 juli 2024), tweemaal een vertrekgesprek gevoerd met eiser (op 1 juli 2024 en op 19 juli 2024) en een presentatie voor eiser gepland op 24 juli 2024. De rechtbank acht dit voldoende voortvarend en concludeert dat de maatregel rechtmatig voortduurt.
5. Het beroep is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen.
6. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank:
- verklaart het beroep ongegrond;
- wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. N.M. van Waterschoot, rechter, in aanwezigheid van mr. D.G. van den Berg, griffier, en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op rechtspraak.nl.
De uitspraak is bekendgemaakt op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.

Voetnoten

1.Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, 6 mei 2024, ECLI:NL:RVS:2024:1892 en Rechtbank Den Haag, 23 mei 2024, ECLI:NL:RBDHA:2024:7807.