Eiser, een Turkse staatsburger, diende op 15 december 2022 een asielaanvraag in met het argument dat hij vervolgd zou worden vanwege zijn vermeende betrokkenheid bij de Gülenbeweging en zijn Koerdische afkomst. De minister wees de aanvraag op 13 februari 2024 af als kennelijk ongegrond, legde een terugkeerbesluit op en stelde een inreisverbod van twee jaar in.
De rechtbank behandelde het beroep op 16 juli 2024 en concludeerde dat de minister terecht de geloofwaardigheid van de toegedichte betrokkenheid bij de Gülenbeweging in twijfel trok, mede vanwege wisselende verklaringen van eiser, het ontbreken van ondersteunende documenten en het feit dat eiser legaal Turkije heeft verlaten. Ook de vermeende onterechte veroordeling voor fraude werd niet geloofwaardig geacht.
Eiser voerde aan dat zijn verklaringen vanuit een jongereperspectief moesten worden beoordeeld en dat het ontbreken van documenten niet automatisch tot ongeloofwaardigheid mocht leiden. De rechtbank verwierp deze argumenten en oordeelde dat de minister de aanvraag terecht als kennelijk ongegrond heeft afgewezen.
De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond, waardoor eiser ongelijk krijgt en dient terug te keren naar Turkije. Tevens werd geen proceskostenvergoeding toegekend.