Uitspraak
uitspraak van de voorzieningenrechter van 7 februari 2024 in de zaken tussen
[verzoekster sub 1] B.V., te [vestigingsplaats] , verzoekster 1
[derde partij], te [woonplaats] (belanghebbende)
Rechtbank Den Haag
Verzoekers hebben bij de rechtbank Den Haag voorlopige voorzieningen gevraagd tegen besluiten van het college van burgemeester en wethouders van Bodegraven-Reeuwijk die lasten onder dwangsom oplegden wegens strijdig gebruik van een perceel. Het perceel wordt gebruikt voor activiteiten die niet passen bij een groothandel in bouwmaterialen, zoals zeven, sorteren en verpakken van stenen.
De voorzieningenrechter constateert dat het college terecht heeft vastgesteld dat de bedrijfsvoering in strijd is met het bestemmingsplan, waaronder opslag buiten het bouwvlak en het bouwen van een betonwand zonder vergunning. Verzoekers betwisten de uitleg van het begrip “groothandel” en stellen dat hun activiteiten daar wel onder vallen, maar de voorzieningenrechter volgt het college dat bewerking van stenen geen handelsactiviteit is.
Verder is er voldoende spoedeisend belang bij handhaving van de eerste twee lasten, terwijl voor de derde last (betonwand) geen spoedeisend belang bestaat vanwege een vergunningaanvraag en concrete zicht op legalisatie. De begunstigingstermijnen en dwangsommen zijn in lijn met het handhavingsbeleid en niet disproportioneel.
De voorzieningenrechter oordeelt dat het college niet te snel heeft gehandhaafd en dat het belang van omwonenden bij een goed woon- en leefklimaat zwaarder weegt dan het belang van verzoekers bij het voortzetten van de overtredingen. De verzoeken om voorlopige voorziening worden daarom afgewezen.
Uitkomst: De verzoeken om voorlopige voorziening tegen de lasten onder dwangsom worden afgewezen.