ECLI:NL:RBDHA:2024:13051
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Afwijzing verlenging verblijfsvergunning tijdelijke humanitaire gronden na mensenhandelmelding
Eiseres, een Gambiaanse vrouw die in Nederland verblijft sinds eind 2020, diende een aanvraag in voor verlenging van haar verblijfsvergunning op tijdelijke humanitaire gronden nadat zij aangifte had gedaan van mensenhandel. De minister weigerde deze verlenging nadat het Openbaar Ministerie had besloten geen strafzaak te starten tegen de verdachte. De minister beriep zich op zijn bevoegdheid om ambtshalve niet door te toetsen naar een verblijfsvergunning met niet-tijdelijke humanitaire gronden vanwege onvoldoende onderbouwing en de noodzaak van nader onderzoek.
Eiseres voerde aan dat zij slachtoffer is van mensenhandel en vreest voor haar veiligheid bij terugkeer naar Gambia, onderbouwd met een verklaring van haar moeder. Zij stelde dat haar banden met Nederland sterker zijn dan met Gambia. De rechtbank oordeelde dat de minister voldoende had gemotiveerd waarom hij geen gebruik maakte van zijn doortoetsbevoegdheid, mede gezien het ontbreken van objectief verifieerbare bronnen en tegenstrijdigheden in de verklaringen.
Daarnaast heeft de minister een belangenafweging gemaakt waarbij hij de banden van eiseres met Gambia zwaarder liet wegen dan haar verblijf en sociale contacten in Nederland. De rechtbank vond deze belangenafweging niet onredelijk en verklaarde het beroep ongegrond. Eiseres krijgt geen vergoeding van proceskosten en het griffierecht wordt niet teruggegeven.
Uitkomst: Het beroep van eiseres tegen de weigering tot verlenging van haar verblijfsvergunning wordt ongegrond verklaard.