ECLI:NL:RBDHA:2024:13093

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
25 juli 2024
Publicatiedatum
16 augustus 2024
Zaaknummer
NL24.23842
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 59 VwArt. 106 VwArt. 5.1b Vreemdelingenbesluit
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing beroep tegen bewaring en schadevergoeding vreemdeling wegens voortvarendheid en zicht op uitzetting

Eiser, van Tunesische nationaliteit, werd op 17 mei 2024 de maatregel van bewaring opgelegd door de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid op grond van artikel 59 van Pro de Vreemdelingenwet 2000. Eiser stelde beroep in tegen deze maatregel en verzocht tevens om schadevergoeding.

De staatssecretaris hief de bewaring op 13 juni 2024 na een belangenafweging. De rechtbank behandelde het beroep op 17 juni 2024 en beperkte de beoordeling tot de vraag of de tenuitvoerlegging van de bewaring onrechtmatig was geweest voorafgaand aan de opheffing.

De rechtbank oordeelde dat de zware gronden voor bewaring, waaronder het risico op ontduiking van toezicht en het niet meewerken aan vaststelling van identiteit, feitelijk juist en voldoende gemotiveerd waren. Het geschilpunt over het zicht op uitzetting en voortvarendheid van de staatssecretaris werd verworpen. De rechtbank stelde vast dat Nederland eigen contacten heeft met Tunesische autoriteiten en dat de staatssecretaris voldoende acties had ondernomen, waaronder het indienen en rappelleren van een laisser passer-aanvraag.

De rechtbank concludeerde dat de maatregel van bewaring niet onrechtmatig was en wees het beroep en het verzoek om schadevergoeding af. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.

Uitkomst: Het beroep tegen de bewaring is ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding is afgewezen.

Uitspraak

uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Utrecht Bestuursrecht zaaknummer: NL24.23842
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser] , eiser V-nummer: [V-nummer]

(gemachtigde: mr. R.M. Boesjes), en
de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, de staatssecretaris (gemachtigde: mr. J. Raaijmakers).

Procesverloop

Bij besluit van 17 mei 2024 (het bestreden besluit) heeft de staatssecretaris aan eiser - na omzetting - de maatregel van bewaring op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) opgelegd.
Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Dit beroep moet tevens worden aangemerkt als een verzoek om toekenning van schadevergoeding.
Verweerder heeft op 13 juni 2024 de maatregel van bewaring opgeheven op grond van een belangenafweging.
De rechtbank heeft het beroep op 17 juni 2024 op een zitting behandeld. Eiser heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. De staatssecretaris heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

1. Eiser stelt van Tunesische nationaliteit te zijn en te zijn geboren op [geboortedatum] 2005.
2. Omdat de bewaring is opgeheven, beperkt de beoordeling zich in deze zaak tot de vraag of aan eiser schadevergoeding moet worden toegekend. In dit verband moet de vraag worden beantwoord of de tenuitvoerlegging van de maatregel van bewaring op enig moment voorafgaande aan de opheffing daarvan onrechtmatig is geweest. Op grond van artikel 106 van Pro de Vw kan de rechtbank indien de bewaring al is opgeheven vóór de behandeling van het verzoek om opheffing van de bewaring aan eiser een schadevergoeding ten laste van de Staat toekennen.
Gronden van de maatregel van bewaring
3. In de maatregel van bewaring heeft de staatssecretaris overwogen dat de openbare orde de maatregel vorderde, omdat het risico bestond dat eiser zich aan het toezicht zou onttrekken en eiser de voorbereiding van het vertrek of de uitzettingsprocedure ontweek of belemmerde. De staatssecretaris heeft, onder verwijzing naar artikel 5.1b, eerste, derde en vierde lid, van het Vreemdelingenbesluit (Vb), als zware gronden vermeld dat eiser:
3a. Nederland niet op de voorgeschreven wijze is binnengekomen, dan wel een poging daartoe heeft gedaan;
3b. zich in strijd met de Vreemdelingenwetgeving gedurende enige tijd aan het toezicht op vreemdelingen heeft onttrokken;
3c. eerder een visum, besluit, kennisgeving of aanzegging heeft ontvangen waaruit de plicht Nederland te verlaten blijkt en hij daaraan niet uit eigen beweging binnen de daarin besloten of gestelde termijn gevolg heeft gegeven;
3d. niet dan wel niet voldoende meewerkt aan het vaststellen van zijn identiteit en nationaliteit;
3e. in verband met zijn aanvraag om toelating onjuiste of tegenstrijdige gegevens heeft verstrekt over zijn identiteit, nationaliteit of de reis naar Nederland of een andere lidstaat; 3i. te kennen heeft gegeven dat hij geen gevolg zal geven aan zijn verplichting tot terugkeer; en als lichte gronden vermeld dat eiser:
4a. zich niet aan een of meer andere voor hem geldende verplichtingen van hoofdstuk 4 van het Vb heeft gehouden;
4c. geen vaste woon- of verblijfplaats heeft;
4d. niet beschikt over voldoende middelen van bestaan;
4f. arbeid heeft verricht in strijd met de Wet arbeid vreemdelingen.
4. De rechtbank stelt vast dat eiser de zware gronden onder 3a, 3b, 3d en 3e niet heeft betwist. De rechtbank is van oordeel dat deze gronden feitelijk juist en voldoende gemotiveerd zijn. Deze gronden zijn voldoende om de maatregel van bewaring te kunnen dragen. Het (enige) geschilpunt over de zware grond 3c behoeft geen bespreking meer. De beroepsgrond slaagt niet.
Voortvarendheid en zicht op uitzetting
5. Eiser meent dat er geen concreet zicht bestaat op uitzetting naar Tunesië binnen een redelijke termijn en dat de staatssecretaris onvoldoende voortvarend heeft gehandeld. Eiser voert daartoe aan dat de Franse autoriteiten al eerder hebben geprobeerd om voor hem een laisser passer (lp) te verkrijgen. Dat traject heeft een half jaar geduurd, maar heeft niet geleid tot afgifte van een lp door de Tunesische autoriteiten. Het zal Nederland daarom ook niet lukken eiser binnen een redelijke termijn uit te zetten. In ieder geval had de staatssecretaris meer actie moeten ondernemen, alleen rappelleren op de lp-aanvraag is in dit geval niet voldoende. De bewaring van eiser is in ieder geval vanaf 9 juni 2024, de datum van indiening van het beroepschrift, onrechtmatig.
6. De rechtbank volgt eiser hierin niet. Dat Frankijk een half jaar zonder resultaat bezig zou zijn geweest met een lp-traject voor eiser, betekent niet dat Nederland niet (opnieuw) een lp mag aanvragen bij de Tunesische autoriteiten. De staatssecretaris heeft er ter zitting terecht op gewezen dat Nederland zijn eigen contacten heeft met Tunesië die geraadpleegd kunnen worden tijdens dit traject. Ook blijkt uit het dossier dat eiser in Frankrijk en daarnaast ook in België andere personalia heeft opgegeven dan in deze procedure. Uit het betoog van eiser kan niet worden afgeleid dat er nu vanuit Nederland
geen zicht op uitzetting is. De rechtbank is verder van oordeel dat de staatssecretaris tot aan de opheffing van de bewaring voldoende voortvarend heeft gehandeld. De staatssecretaris heeft op 10 mei 2024 een lp-aanvraag ingediend bij de Tunesische autoriteiten. Op 30 mei 2024 is op die lp-aanvraag gerappelleerd. Op 17 mei 2024 (bij de omzetting van de maatregel) is een vertrekgesprek gevoerd met eiser. Op 17 juni 2024 moest er volgens de staatssecretaris opnieuw een maandelijks vertrekgesprek gevoerd worden met eiser. De gemachtigde van de staatssecretaris heeft hiervoor op 13 juni 2024 contact opgenomen met de regievoerder. Toen de regievoerder aangaf dat dit niet zou lukken heeft de staatssecretaris de bewaring dezelfde dag opgeheven. Gelet op bovenstaande bestond naar het oordeel van de rechtbank voldoende zicht op uitzetting en heeft de staatssecretaris voldoende voortvarend gehandeld. De beroepsgronden slagen niet.
Ambtshalve toetsing
7. De rechtbank moet ook ambtshalve toetsen of de maatregel van bewaring tot het moment van sluiten van het onderzoek op enig moment onrechtmatig was. Op grond van de stukken en wat op zitting is besproken, is de rechtbank van oordeel dat dit niet het geval is.
Conclusie
8. Het beroep is ongegrond. Daarom wordt het verzoek om schadevergoeding afgewezen. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank:
  • verklaart het beroep ongegrond;
  • wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. N.M. Spelt, rechter, in aanwezigheid van R.A. Oelen, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
25 juli 2024

Documentcode: [documentcode]

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking.