In deze bestuursrechtelijke zaak heeft de voorzieningenrechter van de Rechtbank Den Haag op 19 april 2024 uitspraak gedaan over het verzoek om een voorlopige voorziening van verzoeker tegen de afwijzing van zijn aanvraag voor een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd.
Verweerder, de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, heeft zich niet verzet tegen de toewijzing van het verzoek. De voorzieningenrechter heeft daarom het verzoek als kennelijk gegrond beoordeeld en de uitzetting van verzoeker opgeschort totdat op het bezwaar tegen het bestreden besluit is beslist.
Daarnaast is verweerder veroordeeld tot vergoeding van de proceskosten van verzoeker, vastgesteld op € 875,-, en tot vergoeding van het betaalde griffierecht van € 184,-. De zaak is buiten zitting behandeld met toestemming van beide partijen. Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.