De rechtbank Den Haag heeft op 29 januari 2024 besloten tot verlenging van de ondertoezichtstelling van een minderjarige tot 30 november 2024 en verleende een machtiging tot uithuisplaatsing voor zes maanden. De ondertoezichtstelling is ingesteld vanwege ernstige bedreigingen van de ontwikkeling van het kind, onder meer door een conflictueuze verstandhouding tussen de ouders en een heftig geweldsincident.
Ondanks langdurige hulpverleningstrajecten zoals NIKA, GGZ Delft en VUHP, zijn de zorgen over de sociaal-emotionele ontwikkeling, werkhouding en omgang van de minderjarige met leeftijdsgenoten niet weggenomen. De moeder werkt onvoldoende mee aan de hulpverlening, waardoor zicht op de thuissituatie ontbreekt. Het contact tussen de minderjarige en zijn vader is al meer dan een jaar verbroken, wat schadelijk wordt geacht voor de identiteitsontwikkeling.
De rechtbank acht een uithuisplaatsing in een gezinshuis noodzakelijk om een stabiele basis te bieden voor hulpverlening, traumaverwerking en contactherstel met de vader. De moeder wordt aangespoord om mee te werken aan haar eigen hulpverlening en aan een plan voor terugplaatsing. De machtiging tot uithuisplaatsing wordt toegekend voor zes maanden met een evaluatie daarna.
De moeder heeft verweer gevoerd tegen de verlenging en uithuisplaatsing, stellende dat de situatie thuis goed is en de maatregel disproportioneel is. De vader steunt het verzoek en benadrukt het belang van contactherstel. De rechtbank concludeert dat de wettelijke criteria voor verlenging en uithuisplaatsing zijn vervuld en dat de belangen van het kind voorop staan.