ECLI:NL:RBDHA:2024:13240

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
19 augustus 2024
Publicatiedatum
20 augustus 2024
Zaaknummer
NL24.31886
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 59 VwArt. 96 VwVreemdelingenwet 2000
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Ongegrond verklaring beroep tegen voortduren maatregel bewaring vreemdeling zonder zicht op uitzetting

Eiser, een Marokkaanse vreemdeling, heeft beroep ingesteld tegen het voortduren van de maatregel van bewaring die op 28 mei 2024 door de minister is opgelegd. De rechtbank heeft eerder de rechtmatigheid van de maatregel tot 5 juni 2024 beoordeeld en richt zich nu op de periode daarna.

Eiser stelt dat er geen zicht is op uitzetting binnen een redelijke termijn en dat de minister onvoldoende voortvarend handelt. De rechtbank constateert dat de minister sinds 5 juni 2024 driemaal schriftelijk heeft gerappelleerd bij de Marokkaanse autoriteiten en twee vertrekgesprekken met eiser heeft gevoerd. Hoewel de Marokkaanse autoriteiten nog niet hebben gereageerd op de aanvraag voor een laissez-passer, is dit onvoldoende om het ontbreken van zicht op uitzetting aan te nemen.

Daarnaast werkt eiser niet volledig mee aan zijn uitzetting, wat het uitzettingstraject vertraagt. De rechtbank concludeert dat het voortduren van de maatregel rechtmatig is en wijst het beroep en het verzoek om schadevergoeding af. Er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.

Uitkomst: Het beroep tegen het voortduren van de maatregel van bewaring wordt ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding afgewezen.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Middelburg
Bestuursrecht
zaaknummer: NL24.31886

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser], V-nummer: [V-nummer], eiser

(gemachtigde: mr. A. Dogan),
en
de minister van Asiel en Migratie, voorheen de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid.

Procesverloop

De minister heeft op 28 mei 2024 aan eiser de maatregel van bewaring op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw [1] opgelegd. Deze maatregel duurt nog voort.
Eiser heeft tegen het voortduren van de maatregel van bewaring beroep ingesteld. Daarbij heeft hij verzocht om schadevergoeding.
De minister heeft een voortgangsrapportage overgelegd.
Eiser heeft hierop gereageerd.
De rechtbank heeft bepaald dat een onderzoek ter zitting achterwege blijft en het onderzoek gesloten op 19 augustus 2024.

Overwegingen

1. Eiser stelt te zijn geboren op [datum] 1989 en de Marokkaanse nationaliteit te hebben.
2. Indien de rechtbank van oordeel is dat de toepassing of tenuitvoerlegging van de maatregel van bewaring in strijd is met de Vw dan wel bij afweging van alle daarbij betrokken belangen in redelijkheid niet gerechtvaardigd is, verklaart zij op grond van artikel 96, derde lid, van de Vw het beroep gegrond en beveelt zij de opheffing van de maatregel of een wijziging van de wijze van tenuitvoerlegging daarvan.
3. De rechtbank stelt voorop dat zij deze maatregel van bewaring al eerder heeft getoetst. Uit de uitspraak van 6 juni 2024 volgt dat de maatregel van bewaring tot het moment van het sluiten van het onderzoek dat aan die uitspraak ten grondslag ligt, 5 juni 2024, rechtmatig was. [2] Daarom is bij de beoordeling van de rechtmatigheid van het voortduren van de maatregel van bewaring slechts de periode van belang sinds 5 juni 2024.
4. Eiser voert aan dat geen sprake is van zicht op uitzetting binnen een redelijke termijn en dat verweerder onvoldoende voortvarend handelt. Het laatste rappel dateert van 30 juli 2024 en was zonder succes. Ook is niet gebleken of en wanneer er een vlucht voor eiser is geboekt.
5. In wat eiser aanvoert, ziet de rechtbank geen aanleiding voor het oordeel dat verweerder onvoldoende voortvarend handelt. Uit het dossier blijkt dat verweerder sinds 5 juni 2024 driemaal schriftelijk heeft gerappelleerd bij de Marokkaanse autoriteiten en dat hij twee vertrekgesprekken heeft gevoerd met eiser. Gelet hierop werkt verweerder voldoende voortvarend aan de uitzetting van eiser.
6. Daarnaast zijn er geen aanknopingspunten voor het oordeel dat het zicht op uitzetting binnen een redelijke termijn naar Marokko in het algemeen, of in het specifieke geval van eiser, is komen te ontbreken. Op 31 mei 2024 is een aanvraag voor een laissez-passer verstuurd naar de Marokkaanse autoriteiten. Dat de Marokkaanse autoriteiten sindsdien nog niet hebben gereageerd, is onvoldoende voor de conclusie dat geen laissez-passer aan eiser zal worden afgegeven. Eiser kan het uitzettingstraject bespoedigen door zijn medewerking te verlenen. Uit het dossier volgt dat eiser die medewerking niet verleend. Nu eiser niet volledig en actief meewerkt aan zijn uitzetting, kan niet gesteld worden dat geen zicht op uitzetting bestaat.
7. Tot slot leidt ook de ambtshalve toetsing niet tot het oordeel dat het voortduren van de maatregel van bewaring in de te beoordelen periode op enig moment onrechtmatig was.
8. Het beroep is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen.
9. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank:
- verklaart het beroep ongegrond;
- wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Deze uitspraak is gedaan op 19 augustus 2024 door mr. K.M. de Jager, rechter, in aanwezigheid van mr. W. van Loon, griffier, en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op
www.rechtspraak.nl.
De uitspraak is bekendgemaakt op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.

Voetnoten

1.Vreemdelingenwet 2000.