Eiser, met de Libische nationaliteit, heeft op 27 januari 2023 een eerste asielaanvraag ingediend die als kennelijk ongegrond werd afgewezen wegens ongeloofwaardigheid van identiteit en herkomst. Op 21 mei 2024 diende eiser een opvolgende asielaanvraag in. Tijdens het gehoor verklaarde eiser wisselende geloofsidentiteiten, waaronder joods en atheïst, wat door verweerder als tegenstrijdig en niet relevant werd beoordeeld.
Verweerder verklaarde de opvolgende aanvraag niet-ontvankelijk op grond van artikel 30a, eerste lid, aanhef en onder d, van de Vreemdelingenwet 2000, omdat eiser geen nieuwe relevante elementen of bevindingen had aangevoerd die de kans op inwilliging aanzienlijk vergroten. Eiser stelde dat hij onvoldoende gelegenheid had gekregen om nieuwe elementen naar voren te brengen en dat zijn atheïsme een risico in Libië inhoudt.
De rechtbank oordeelde dat eiser voldoende gelegenheid had gekregen om zijn nieuwe elementen te presenteren tijdens het gehoor, waar meerdere vragen werden gesteld. De tegenstrijdige verklaringen over zijn geloof werden terecht als niet relevant beoordeeld. Het eerdere oordeel over ongeloofwaardigheid blijft van kracht, aangezien geen nieuwe relevante feiten zijn ingebracht.
Daarom verklaarde de rechtbank het beroep ongegrond en wees zij het verzoek om proceskostenvergoeding af. De uitspraak werd gedaan door rechter M.J. Schouw op 20 augustus 2024 te Middelburg.