ECLI:NL:RBDHA:2024:13397
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Ongegrond beroep tegen voortduren vreemdelingenbewaring wegens zicht op uitzetting naar Oezbekistan
De rechtbank Den Haag heeft op 5 juli 2024 uitspraak gedaan in een zaak waarin eiser beroep instelde tegen het voortduren van zijn vreemdelingenbewaring op grond van de Vreemdelingenwet 2000. De maatregel van bewaring was reeds eerder getoetst en rechtmatig bevonden tot 10 april 2024. De rechtbank beoordeelde nu de periode daarna tot 28 juni 2024.
Eiser stelde dat er geen redelijk vooruitzicht op uitzetting naar Oezbekistan bestond, omdat hij al meer dan drie maanden in bewaring zat zonder dat er een presentatie had plaatsgevonden of reactie van de Oezbeekse autoriteiten was ontvangen. De rechtbank oordeelde dat er wel zicht op uitzetting bestaat, mede omdat het lp-traject bij de Oezbeekse autoriteiten nog in behandeling is en het verkrijgen van documenten tijd kan kosten. Eiser had onvoldoende medewerking verleend aan zijn uitzetting.
Daarnaast voerde eiser aan dat de minister niet voortvarend handelde. De rechtbank stelde vast dat de minister regelmatig rappelleren bij de Oezbeekse autoriteiten en vertrekgesprekken met eiser voerde. Gezien de afhankelijkheid van de Oezbeekse autoriteiten en geringe medewerking van eiser, was het handelen voldoende voortvarend.
De rechtbank concludeerde dat het voortduren van de maatregel van bewaring rechtmatig was en wees het beroep ongegrond. Ook het verzoek om schadevergoeding werd afgewezen. Tegen deze uitspraak is geen rechtsmiddel mogelijk.
Uitkomst: Het beroep tegen het voortduren van de vreemdelingenbewaring wordt ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding afgewezen.