ECLI:NL:RBDHA:2024:13420
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- B.F.Th. de Roos
- Rechtspraak.nl
Niet-ontvankelijkheid beroep tegen afwijzing asielaanvraag Iran vanwege te late beroepsgronden
Eiser, een Iraanse asielzoeker, diende op 17 oktober 2022 een asielaanvraag in in Nederland. De minister wees deze af op 14 mei 2024. Eiser stelde beroep in, maar diende zijn beroepsgronden te laat in, ondanks een verzoek van de rechtbank om deze binnen vijf werkdagen aan te leveren. De rechtbank oordeelde dat deze vergissing niet verontschuldigbaar was en dat eiser, bijgestaan door een professioneel gemachtigde, de termijnen had moeten naleven.
De rechtbank onderzocht vervolgens of niet-ontvankelijkheid van het beroep zou leiden tot een onmiskenbare schending van artikel 3 EVRM Pro, verwijzend naar het arrest Bahaddar. Eiser stelde dat hij vanwege problemen met de Iraanse revolutionaire garde (Sepah) en zijn bekering tot het Bahá’ígeloof niet veilig naar Iran kon terugkeren.
De rechtbank vond echter dat de geloofwaardigheid van eisers verklaringen over zijn bekering en problemen met Sepah onvoldoende was onderbouwd. Verweerder had terecht geoordeeld dat de verklaringen summier, tegenstrijdig en ongerijmd waren. De bewijsstukken zoals inschrijving bij de Bahá’í-gemeenschap en een verklaring van de Nationale Geestelijke Raad werden als onvoldoende beoordeeld.
Daarom concludeerde de rechtbank dat het niet-ontvankelijk verklaren van het beroep niet onmiskenbaar zou leiden tot een schending van artikel 3 EVRM Pro. Het beroep werd niet-ontvankelijk verklaard en eiser kreeg geen proceskostenvergoeding.
Uitkomst: Het beroep tegen de afwijzing van de asielaanvraag wordt niet-ontvankelijk verklaard wegens te late indiening van beroepsgronden.