ECLI:NL:RBDHA:2024:13540
Rechtbank Den Haag
- Voorlopige voorziening
- Rechtspraak.nl
Afwijzing verzoek voorlopige voorziening in Dublin-procedure Kroatië
Verzoeker heeft een aanvraag ingediend voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd, welke door de staatssecretaris niet in behandeling is genomen omdat Kroatië verantwoordelijk wordt gehouden voor de asielprocedure volgens de Dublin-verordening.
Tegen dit besluit is beroep ingesteld en tegelijkertijd is een verzoek om voorlopige voorziening ingediend. De voorzieningenrechter heeft beide zaken op 4 juni 2024 behandeld, waarbij verzoeker en zijn gemachtigde aanwezig waren, evenals de gemachtigde van de staatssecretaris.
De rechtbank heeft in de hoofdzaak (zaaknummer NL24.19596) uitspraak gedaan, waardoor de voorlopige voorziening niet langer noodzakelijk is. Om die reden is het verzoek om voorlopige voorziening afgewezen. Er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.
De uitspraak is gedaan door voorzieningenrechter P.J.M. Mol en griffier M.A.W.M. Engels, en is op 12 juni 2024 in het openbaar bekendgemaakt. Tegen deze uitspraak is geen hoger beroep of verzet mogelijk.
Uitkomst: Het verzoek om voorlopige voorziening wordt afgewezen omdat de hoofdzaak reeds is behandeld.