ECLI:NL:RBDHA:2024:13576

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
2 augustus 2024
Publicatiedatum
26 augustus 2024
Zaaknummer
NL24.28433
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 59 Vreemdelingenwet 2000TerugkeerrichtlijnBesluit proceskosten bestuursrecht
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vernietiging terugkeerbesluit en inreisverbod wegens EU/EER-nationaliteit eiser

Eiser, die stelt Djiboutiaanse nationaliteit te hebben, bleek een EU/EER-onderdaan te zijn. De minister legde op 11 juli 2024 een terugkeerbesluit met inreisverbod en een maatregel van bewaring op. De maatregel van bewaring werd op 19 juli 2024 opgeheven nadat de EU/EER-nationaliteit van eiser was vastgesteld.

De rechtbank oordeelde dat het terugkeerbesluit en het inreisverbod op het moment van opheffing van de maatregel van bewaring hadden moeten worden ingetrokken, omdat eiser niet meer onder de Terugkeerrichtlijn valt. De minister trok het terugkeerbesluit echter pas op 25 juli 2024 in en het inreisverbod was nog niet opgeheven.

De rechtbank verklaarde het beroep gegrond, vernietigde het bestreden besluit en veroordeelde de minister tot betaling van de proceskosten van €1.750. De rechtbank zag geen aanleiding om de overige gronden van eiser te behandelen.

Uitkomst: Het terugkeerbesluit en het inreisverbod worden vernietigd omdat deze niet tijdig zijn ingetrokken na vaststelling EU/EER-nationaliteit van eiser.

Uitspraak

uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Utrecht Bestuursrecht zaaknummer: NL24.28433
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser] , eiser,

V-nummer: [V-nummer] , (gemachtigde: mr. A. Hol),
en
de minister van Asiel en Migratie (voorheen de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid), de minister,
(gemachtigde: mr. G.T. Cambier).

Procesverloop

Bij besluit van 11 juli 2024 (het bestreden besluit) heeft de minister aan eiser een terugkeerbesluit en een inreisverbod voor de duur van twee jaar opgelegd.
Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.
Bij besluit van 11 juli 2024 heeft de minister aan eiser de maatregel van bewaring op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000 opgelegd. Eiser heeft hiertegen beroep ingesteld (geregistreerd onder het zaaknummer NL24.28345). Hierop wordt bij afzonderlijke uitspraak beslist.
De minister heeft op 19 juli 2024 de maatregel van bewaring opgeheven.
De rechtbank heeft het beroep, gezamenlijk met de zaak NL24.28345, op 22 juli 2024 op zitting behandeld. Eiser heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. De minister heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.
Op 24 juli 2024 heeft de rechtbank het onderzoek in de zaak NL24.28433 heropend en de minister verzocht om aan te geven of het terugkeerbesluit met inreisverbod is ingetrokken.
De minister heeft op 25 juli 2024 een reactie ingediend. De gemachtigde van eiser heeft hier op 25 juli 2024 op gereageerd.
Omdat geen van partijen, nadat zij zijn gewezen op hun recht ter zitting te worden gehoord, heeft verklaard dat zij gebruik wil maken van dit recht, heeft de rechtbank bepaald dat het onderzoek ter zitting verder achterwege blijft. De rechtbank heeft vervolgens het onderzoek gesloten.

Overwegingen

1. Eiser stelt van Djiboutiaanse nationaliteit te zijn en te zijn geboren op [geboortedatum] 1994.
2. De rechtbank stelt vast dat de minister op 19 juli 2024 de maatregel van bewaring heeft opgeheven, omdat bleek dat eiser een EU/EER-onderdaan is. De rechtbank heeft bij uitspraak van vandaag in de zaak NL24.28345 het beroep tegen de maatregel van bewaring ongegrond verklaard, omdat de maatregel van bewaring tot aan de opheffing daarvan rechtmatig was.
3. De minister heeft na heropening van het onderzoek desgevraagd op 25 juli 2024 aangegeven dat het terugkeerbesluit heden is ingetrokken en dat het inreisverbod zal worden opgeheven. De signalering zal worden verwijderd. De minister heeft nog geen stukken van de intreking. De minister benadrukt dat het terugkeerbesluit niet met terugwerkende kracht wordt ingetrokken.
4. De rechtbank wijst op de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 15 maart 2024, ECLI:NL:RVS:2024:1078, rechtsoverweging 4. Omdat de maatregel van bewaring op 19 juli 2024 is opgeheven omdat bleek dat eiser een EU/EER- onderdaan was, had de minister het terugkeerbesluit met inreisverbod op dat moment moeten intrekken. Er was namelijk vanaf 19 juli 2024 geen sprake meer van terugkeer in de zin van de Terugkeerrichtlijn. Eiser kan daarom niet worden opgedragen om de Europese Unie te verlaten en ook het inreisverbod was daarom niet meer geldig. De rechtbank leidt uit de reactie van de minister af dat het terugkeerbesluit niet op 19 juli 2024 is ingetrokken, maar pas op 25 juli 2024. Dit is niet bevestigd met een intrekkingsbesluit. Ook leidt de rechtbank uit de reactie van de minister af dat het inreisverbod op 25 juli 2024 nog niet is opgeheven. Het beroep is daarom gegrond. De rechtbank komt daarom niet toe aan de bespreking van de gronden van eiser.

Conclusie

5. Het beroep is gegrond en de rechtbank zal het bestreden besluit vernietigen.
6. De rechtbank veroordeelt de minister in de door eiser gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 1.750,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van
€ 875,- en een wegingsfactor 1).

Beslissing

De rechtbank:
  • verklaart het beroep gegrond;
  • vernietigt het bestreden besluit;
  • veroordeelt de minister in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 1.750,-.
Deze uitspraak is gedaan door mr. D. Verduijn, rechter, in aanwezigheid van Z.P. de Wilde, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
02 augustus 2024

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen vier weken na de dag van bekendmaking.