Opposante diende beroep in tegen het niet tijdig beslissen op haar asielaanvraag, waarna de aanvraag werd ingewilligd en het beroep werd ingetrokken met verzoek tot proceskostenvergoeding. De rechtbank wees dit verzoek af omdat de ingebrekestelling te vroeg was ingediend, waardoor het beroep niet ontvankelijk was.
Tegen deze afwijzing stelde opposante verzet in. De rechtbank oordeelt dat het beroep niet buiten redelijke twijfel ongegrond kon worden verklaard vanwege lopende prejudiciële vragen over de rechtsgeldigheid van de verlenging van de beslistermijn. Hierdoor was de eerdere buiten-zittinguitspraak onjuist.
De rechtbank verklaart het verzet gegrond, herroept de eerdere uitspraak en veroordeelt de minister in de proceskosten van opposante, vastgesteld op €437,50. Er is geen hoger beroep mogelijk tegen deze uitspraak.