ECLI:NL:RBDHA:2024:13765

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
28 augustus 2024
Publicatiedatum
29 augustus 2024
Zaaknummer
NL24.4905
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
  • B.F.Th. de Roos
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:3 AwbArt. 4:13 AwbArt. 8:54 AwbArt. 8:75 AwbArt. 8:75a Awb
Verwijzingen
7 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing verzoek tot proceskostenvergoeding wegens niet-tijdig beslissen op aanvraag afhankelijke asielvergunning

Verzoekster heeft beroep ingesteld tegen het niet-tijdig beslissen op haar aanvraag van 5 juli 2023 om haar afhankelijke asielvergunning niet in te trekken. De minister besloot op 8 maart 2024 de verblijfsvergunning niet in te trekken. Verzoekster trok het beroep in maar vroeg tegelijkertijd vergoeding van proceskosten. Later handhaafde zij het beroep en verzocht om gegrondverklaring en vaststelling van een bestuurlijke dwangsom.

De rechtbank overweegt dat intrekking van het beroep niet ongedaan kan worden gemaakt zonder duidelijke uitleg of kennelijke verschrijving. De aanvraag van verzoekster op 5 juli 2023 kan niet worden aangemerkt als een aanvraag in de zin van artikel 1:3, derde lid, van de Awb. Tevens bevat de Vreemdelingenwet geen beslistermijn voor dit verzoek, zodat artikel 4:13 Awb Pro geldt: binnen een redelijke termijn beslissen.

Omdat de datum van de aanvraag niet vaststaat, kan niet worden vastgesteld of de minister niet tijdig heeft beslist. De ingebrekestelling is daarom niet rechtsgeldig. De rechtbank concludeert dat verweerder niet onrechtmatig heeft gehandeld en wijst het verzoek tot proceskostenvergoeding af.

Uitkomst: Verzoek tot proceskostenvergoeding wegens niet-tijdig beslissen op aanvraag afhankelijke asielvergunning wordt afgewezen.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Middelburg
Bestuursrecht
zaaknummer: NL24.4905

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[verzoekster], verzoekster

v-nummer: [V-nummer]
(gemachtigde: mr. M.S. Yap),
en
de minister van Asiel en Migratie, voorheen de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder.

Procesverloop

Verzoekster heeft op 9 februari 2024 beroep ingesteld tegen het niet-tijdig beslissen op haar aanvraag van 5 juli 2023 om haar afhankelijke asielvergunning niet in te trekken.
Bij besluit van 8 maart 2024 heeft verweerder besloten de verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd van verzoekster niet in te trekken.
Verzoekster heeft meegedeeld het beroep in te trekken en tegelijk verzocht om verweerder te veroordelen tot vergoeding van de proceskosten. Later heeft verzoekster tevens verzocht om het beroep gegrond te verklaren en de reeds verbeurde bestuurlijke dwangsom vast te stellen.
De rechtbank doet op grond van artikel 8:54, eerste lid, van de Awb [1] uitspraak zonder zitting.

Overwegingen

1. Ingevolge artikel 8:75a, eerste lid, van de Awb kan het bestuursorgaan in geval van intrekking van het beroep omdat het bestuursorgaan geheel of gedeeltelijk aan de indiener van het beroepschrift is tegemoetgekomen, op verzoek van de indiener bij afzonderlijke uitspraak met toepassing van artikel 8:75 in Pro de kosten worden veroordeeld. Het verzoek wordt gedaan tegelijk met de intrekking van het beroep. Indien aan dit vereiste niet is voldaan, wordt het verzoek niet-ontvankelijk verklaard.
2. Verzoekster heeft op 25 maart 2024 haar beroep ingetrokken en tegelijk verzocht om verweerder te veroordelen in de proceskosten. Eerst geruime tijd daarna, op 4 juni 2024 heeft zij meegedeeld dat zij haar beroep handhaaft, dat zij verzoekt om gegrondverklaring van dat beroep, vaststelling van een (bestuurlijke) dwangsom en een veroordeling in de proceskosten. Nu verzoekster daarover geen uitleg heeft gegeven en niet is gebleken van een kennelijke verschrijving bij de intrekking van het beroep, kan met het bericht van 4 juli 2024 de intrekking van het beroep niet ongedaan worden gemaakt. De rechtbank zal zich daarom uitsluitend uitlaten over de vraag of verzoekster recht heeft op een vergoeding in de proceskosten met toepassing van artikel 8:75a van de Awb. Beoordeeld zal worden of verweerder inderdaad niet tijdig heeft beslist op de aanvraag van verzoekster.
3. Verzoekster heeft aangevoerd dat sprake is van een op 5 juli 2023 gedane aanvraag om haar verblijf te continueren. Daarbij wijst zij op de e-mailcorrespondentie tussen de sociaal raadsman van verzoekster en verweerder. De rechtbank begrijpt dat daarmee wordt bedoeld dat verzoekster een aanvraag heeft ingediend om haar verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd, gebaseerd op artikel 29, tweede lid, van de Vw, niet in te trekken. Uit de overgelegde e-mailcorrespondentie kan echter slechts worden afgeleid dat er op 5 juli 2023 telefonisch contact is geweest tussen sociaal raadsman en verweerder en dat daarbij is afgesproken om nadere informatie over te leggen, zodat verweerder het rechtmatig verblijf opnieuw kan toetsen en ‘wij in overleg kunnen bepalen welke weg te bewandelen’. [2]
4. De rechtbank is van oordeel dat uit de door haar overgelegde stukken niet kan worden afgeleid dat zij op 5 juli 2023 een aanvraag heeft gedaan als bedoeld in artikel 1:3, derde lid, van de Awb.
5. De rechtbank overweegt daarnaast dat de Vreemdelingenwet 2000 geen beslistermijn bevat voor een verzoek om een afhankelijke asielvergunning niet in te trekken. Dit betekent dat artikel 4:13 van Pro de Awb geldt: verweerder moet binnen een redelijke termijn beslissen na ontvangst van de aanvraag. Nu de datum van de aanvraag niet kan worden vastgesteld, kan evenmin worden bepaald wanneer de redelijke termijn is verstreken. De door verzoekster overgelegde ingebrekestelling gaat wél uit van de aanvraagdatum 5 juli 2023, en is daarom niet rechtsgeldig.
6. De rechtbank komt tot de slotsom dat niet kan worden geoordeeld dat verweerder niet tijdig heeft beslist om de asielvergunning van verzoekster niet in te trekken. Dat betekent dat verweerder niet zal worden veroordeeld in de proceskosten van verzoekster.

Beslissing

De rechtbank wijst het verzoek af.
Deze uitspraak is gedaan op 28 augustus 2024 door mr. B.F.Th. de Roos, rechter, in aanwezigheid van mr. S. Mohandes, griffier, openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op
www.rechtspraak.nl.
De uitspraak is bekendgemaakt op:
Bent u het niet eens met deze uitspraak?
Als u het niet eens bent met deze uitspraak, kunt u een brief sturen naar de rechtbank waarin u uitlegt waarom u het er niet mee eens bent. Dit heet een verzetschrift. U moet dit verzetschrift indienen binnen 6 weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. U ziet deze datum hierboven. Als u graag een zitting wilt waarin u uw verzetschrift kunt toelichten, kunt u dit in uw verzetschrift vermelden.

Voetnoten

1.Algemene wet bestuursrecht.
2.E-mailbericht van 26 juli 2023.