De minister legde op 28 juli 2024 aan eiser de maatregel van bewaring op op grond van artikel 59a van de Vreemdelingenwet 2000. Eiser stelde beroep in tegen dit besluit, dat tevens als verzoek om schadevergoeding werd aangemerkt. De minister hief de bewaring op op 14 augustus 2024.
De rechtbank behandelde het beroep op 20 augustus 2024 en beperkte haar beoordeling tot de vraag of de bewaring onrechtmatig was en of schadevergoeding toekwam. Eiser voerde aan dat de minister met een lichter middel had moeten volstaan, aangezien hij meewerkte en reeds in een vrijheidsbeperkende locatie verbleef. De rechtbank oordeelde dat de minister onvoldoende had gemotiveerd waarom de bewaring noodzakelijk was en waarom een lichter middel niet volstond.
De rechtbank concludeerde dat de bewaring vanaf het moment van opleggen onrechtmatig was en kende eiser een schadevergoeding toe van €1.730,- voor 17 dagen onrechtmatige vrijheidsontneming. Daarnaast werden proceskosten van €1.750,- aan eiser toegekend. De uitspraak werd gedaan door rechter J.M.C. Schuurman-Kleijberg op 22 augustus 2024.