Uitspraak
RECHTBANK DEN HAAG
1.[eiser] , te [woonplaats 1] ,
[eiseres], te [woonplaats 1] ,
1.De procedure
- het tussenvonnis van 17 april 2024 (hierna: het tussenvonnis),
- de akte tevens eisvermeerdering van [eisers] , met producties 196 tot en met 201,
- de antwoordakte van [gedaagde] .
2.De verdere beoordeling (in conventie en in reconventie)
- [gedaagde] is in verzuim en moet in elk geval een bedrag van € 87.806,49 aan schadevergoeding (herstelkosten en waardevermindering) aan [eisers] betalen, waar nog een nader te bepalen bedrag voor de hierna te bespreken schadeposten bij komt (tussenvonnis, r.o. 4.213);
- Andersom heeft [gedaagde] nog een vordering van € 14.136,60 (€ 7.602,- aan meerwerk en € 6.534,60 aan restant aanneemsom, inclusief btw) op [eisers] , die met de schadevergoeding moet worden verrekend (tussenvonnis, r.o. 4.259);
- de provisionele vordering tot het opheffen van een deel van de gelegde conservatoire beslagen is afgewezen (tussenvonnis, r.o. 4.261 tot en met 4.266).
€ 2.404,27(€ 876,04 + € 1.528,23).
€ 6.500,-. Dit is naar het oordeel van de rechtbank een voldoende redelijke en voorzichtige schatting van de kosten van het herstelwerk. Voor zover [eisers] meer dan dit bedrag heeft gevorderd, wordt dat meerdere als onvoldoende onderbouwd afgewezen.
€ 1.815, inclusief btw, een voldoende onderbouwde en redelijke begroting van de herstelkosten. Dit bedrag wordt toegewezen.
€ 84.389,16. [eisers] heeft ook vergoeding van wettelijke rente (als bedoeld in artikel 6:119 BW Pro) gevorderd over deze schadevergoeding, te rekenen vanaf de datum van de omzettingsverklaring (16 december 2021). Deze rentevordering is als niet (voldoende) weersproken en op de wet gegrond toewijsbaar.
€ 3.454,55als door [eisers] geleden schade in de zin van artikel 6:96 lid 2 sub b BW Pro te vergoeden.
€ 1.653,44.
€ 1.390,53, waarvan € 314,- aan griffierecht.
€ 139,-(plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing)
€ 139,-(plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing)