ECLI:NL:RBDHA:2024:13939
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Afwijzing aanvraag verblijfsvergunning regulier voor onbepaalde tijd in kader wedertoelating
Eiser heeft beroep ingesteld tegen de afwijzing van zijn aanvraag voor een verblijfsvergunning regulier voor onbepaalde tijd in het kader van wedertoelating. De aanvraag was door de staatssecretaris afgewezen op 13 juni 2022 en het bezwaar daarop op 8 februari 2023 eveneens ongegrond verklaard.
Eiser stelde dat hij tussen 1979 en 1984 rechtmatig in Nederland verbleef en daarmee voldeed aan de eis van vijf jaar rechtmatig verblijf voor zijn negentiende levensjaar. Tevens voerde hij aan dat hij rechten kon ontlenen aan artikel 7 van Pro Besluit nr. 1/80 (het Turkse Associatieverdrag) omdat hij als gezinslid van een Turkse werknemer meer dan drie jaar legaal met die werknemer had samengewoond.
De rechtbank oordeelde dat eiser niet heeft aangetoond dat Nederland het meest aangewezen land is, een vereiste voor verlening van de vergunning op grond van artikel 3.92, eerste lid, onder b van het Vreemdelingenbesluit 2000. Daarnaast kon eiser geen rechten ontlenen aan het Turkse Associatieverdrag omdat niet is aangetoond dat zijn vader drie jaar legaal als werknemer in Nederland heeft gewerkt. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en liet het bestreden besluit in stand.
Uitkomst: Het beroep tegen de afwijzing van de aanvraag verblijfsvergunning regulier voor onbepaalde tijd wordt ongegrond verklaard.