ECLI:NL:RBDHA:2024:14020
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Beoordeling voortduren maatregel bewaring en zicht op uitzetting naar Algerije
Eiser is op 10 april 2024 in bewaring gesteld op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000. Hij stelde beroep in tegen het voortduren van deze maatregel en verzocht tevens om schadevergoeding. De rechtbank heeft het beroep op 30 augustus 2024 behandeld, waarbij eiser en zijn gemachtigde niet verschenen.
De rechtbank heeft eerder de rechtmatigheid van de maatregel beoordeeld tot 26 juli 2024. De beoordeling richt zich daarom op de periode daarna. Eiser betoogde dat de minister onvoldoende voortvarend handelt en dat er geen zicht is op uitzetting naar Algerije, mede omdat de lp-aanvraag al ruim een jaar loopt en hij niet verscheen bij een presentatie.
De minister stelde dat sinds begin 2024 zicht op uitzetting bestaat door verbeterde samenwerking met Algerije. De lp-aanvraag van eiser is door de vorige consul moeizamer behandeld, maar na het niet verschijnen van eiser op de presentatie is de aanvraag met biometrische gegevens opnieuw aangeleverd op een USB-stick. De minister handhaaft een terughoudende werkwijze en heeft schriftelijk gerappelleerd.
De rechtbank oordeelt dat de minister voldoende voortvarend handelt, onder meer door schriftelijke rappelletjes en een vertrekgesprek. Ook is het zicht op uitzetting naar Algerije niet afwezig, zowel algemeen als specifiek voor eiser. Het beroep wordt ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding afgewezen.
Uitkomst: Het beroep tegen het voortduren van de maatregel van bewaring wordt ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding afgewezen.