Eiser heeft op 15 september 2023 een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd ingediend. De minister had volgens de Vreemdelingenwet 2000 zes maanden de tijd om te beslissen, met een mogelijke verlenging van negen maanden vanwege een groot aantal aanvragen. De minister heeft deze verlenging toegepast op asielaanvragen ingediend tussen 1 januari 2023 en 1 januari 2024.
Eiser stelde de minister op 16 april 2024 in gebreke wegens het niet tijdig beslissen en diende op 7 mei 2024 beroep in tegen het uitblijven van een besluit. De rechtbank oordeelt dat de ingebrekestelling prematuur was omdat de verlengde beslistermijn nog niet was verstreken. Hierdoor voldoet het beroep niet aan de vereisten van artikel 6:12, tweede lid, van de Awb.
De rechtbank verklaart het beroep niet-ontvankelijk en ziet geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling. De uitspraak is gedaan door rechter A.G.D. Overmars en openbaar gemaakt via rechtspraak.nl.