Eiser, met de Marokkaanse nationaliteit, betwistte het terugkeerbesluit en de maatregel van bewaring die tegen hem waren genomen op grond van de Vreemdelingenwet. Hij stelde dat hij rechtmatig verblijf in Spanje had en dat de minister onvoldoende onderzoek had verricht naar zijn verblijfsrecht.
De rechtbank oordeelde dat het onderzoek van de minister, waaronder raadpleging van Eurodac en EU-Vis en het overleggen van een kopie van het paspoort, onvoldoende aanwijzingen gaf voor een verblijfsrecht in Spanje. De door eiser overgelegde documenten, zoals een inschrijving bij een gemeente, waren niet voldoende om het vermoeden van onrechtmatig verblijf te weerleggen.
Verder stelde de rechtbank vast dat de maatregel van bewaring gerechtvaardigd was vanwege het risico dat eiser zich aan toezicht zou onttrekken en de terugkeer zou ontwijken. De door verweerder genoemde gronden werden niet betwist en waren voldoende om de maatregel te dragen.
De ambtshalve toetsing leidde niet tot een oordeel dat de maatregel onrechtmatig was. Het beroep werd ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding werd afgewezen. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.