ECLI:NL:RBDHA:2024:14117
Rechtbank Den Haag
- Voorlopige voorziening
- Rechtspraak.nl
Verzoek om voorlopige voorziening afgewezen wegens niet-ontvankelijkheid in asielzaak Dublinprocedure
Verzoeker heeft een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd ingediend, welke door de minister van Asiel en Migratie niet in behandeling is genomen vanwege de verantwoordelijkheid van Frankrijk volgens de Dublinverordening.
Tegen dit besluit is beroep ingesteld en is tevens een verzoek om voorlopige voorziening ingediend. De voorzieningenrechter heeft het verzoek zonder zitting behandeld op grond van artikel 8:83, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht.
Bij een gelijktijdige uitspraak is het onderliggende beroep niet-ontvankelijk verklaard omdat verzoeker geen prijs meer stelt op een beoordeling van zijn asielaanvraag. Verzoeker is met onbekende bestemming vertrokken en zijn gemachtigde heeft geen contact meer met hem sinds 22 juli 2024.
Gezien het ontbreken van belang bij de beoordeling van het verzoek om voorlopige voorziening, is dit verzoek eveneens niet-ontvankelijk verklaard. Er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling. Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.
Uitkomst: Het verzoek om voorlopige voorziening wordt niet-ontvankelijk verklaard wegens ontbreken van belang.