ECLI:NL:RBDHA:2024:14147
Rechtbank Den Haag
- Voorlopige voorziening
- Rechtspraak.nl
Afwijzing verzoek voorlopige voorziening wegens ontbreken spoedeisend belang bij Dublin-overdracht
Verzoekster heeft een voorlopige voorziening gevraagd tegen het besluit van de minister van Asiel en Migratie om haar geen verblijf te verlenen op grond van artikel 3.48 van het Vreemdelingenbesluit 2000. Dit verzoek is gedaan in het kader van een beroep tegen de afwijzing van haar aanvraag, die samenhing met een aangifte van mensenhandel.
De voorzieningenrechter heeft beoordeeld of er sprake is van onverwijlde spoed, een vereiste voor het treffen van een voorlopige voorziening. Verzoekster stelde dat zij op 12 augustus 2024 op grond van de Dublinverordening zou worden overgedragen aan Frankrijk. De minister heeft echter verklaard dat er geen sprake is van een gedwongen overdracht en dat verzoekster zelf kan bepalen of zij meewerkt aan de overdracht.
Omdat verzoekster deze stelling niet heeft bestreden en er geen aanwijzingen zijn dat zij gedwongen zal worden uitgezet, concludeert de voorzieningenrechter dat er geen spoedeisend belang is. Daarom wordt het verzoek om voorlopige voorziening afgewezen. Tevens is het verzoek tot vrijstelling van griffierecht afgewezen wegens onvoldoende bewijs van betalingsonmacht.
Uitkomst: Het verzoek om voorlopige voorziening wordt afgewezen wegens het ontbreken van een spoedeisend belang.