ECLI:NL:RBDHA:2024:14197

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
12 augustus 2024
Publicatiedatum
5 september 2024
Zaaknummer
NL24.29688
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 59 Vreemdelingenwet 2000Art. 94 Vreemdelingenwet 2000Art. 5.1b Vreemdelingenbesluit
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Ongegrond beroep tegen maatregel van bewaring op grond van de Vreemdelingenwet

Eiser, van Algerijnse nationaliteit, is in bewaring gesteld op grond van artikel 59 van Pro de Vreemdelingenwet 2000 vanwege risico op ontduiking van toezicht en belemmering van de uitzettingsprocedure. De minister heeft de rechtbank geïnformeerd over deze maatregel, waarna eiser beroep instelde en tevens een verzoek om schadevergoeding deed.

De rechtbank heeft op 5 augustus 2024 de zaak behandeld. Eiser voerde aan dat hij een leven heeft opgebouwd in Oostenrijk met zijn vriendin en haar kinderen en dat hij daar legaal wil verblijven en werken. Hij verzocht om overdracht naar Oostenrijk of Bosnië, waar hij wil trouwen.

De rechtbank oordeelt dat eiser geen rechtmatig verblijf heeft in Oostenrijk of Bosnië en dat dit het belang van de minister om eiser in bewaring te houden zwaarder laat wegen. De belangenafweging is zorgvuldig gemaakt en de maatregel is rechtmatig. Ook ambtshalve toetsing wijst uit dat de bewaring tot het moment van sluiting van het onderzoek niet onrechtmatig was.

Het beroep wordt ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding afgewezen. Er is geen aanleiding voor proceskostenveroordeling. Tegen deze uitspraak staat hoger beroep open bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.

Uitkomst: Het beroep tegen de maatregel van bewaring wordt ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding afgewezen.

Uitspraak

uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Utrecht Bestuursrecht zaaknummer: NL24.29688
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser] , V-nummer: [V-nummer] , eiser (gemachtigde: mr. R.M. Boesjes),

en

de Minister van Migratie en Asiel, de minister (gemachtigde: S.H.F. Pols).

Procesverloop

Bij besluit van 22 juli 2024 (het bestreden besluit) heeft de minister aan eiser de maatregel van bewaring op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) opgelegd.
De minister heeft de rechtbank op grond van artikel 94, eerste lid, van de Vw van de bewaring in kennis gesteld. Deze kennisgeving wordt gelijkgesteld met een door eiser ingesteld beroep. Dit beroep moet tevens worden aangemerkt als een verzoek om toekenning van schadevergoeding.
De rechtbank heeft het beroep op 5 augustus 2024 op zitting behandeld. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Als tolk is verschenen de heer Rida. De minister heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.
In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank of de bewaring van eiser rechtmatig is.

Overwegingen

1. Eiser stelt van Algerijnse nationaliteit te zijn en te zijn geboren op [geboortedatum] 1988.
Gronden van de maatregel van bewaring
2. In de maatregel van bewaring heeft de minister overwogen dat de openbare orde de maatregel vordert, omdat het risico bestaat dat eiser zich aan het toezicht zal onttrekken en eiser de voorbereiding van het vertrek of de uitzettingsprocedure ontwijkt of belemmert. De minister heeft, onder verwijzing naar artikel 5.1b, eerste, derde en vierde lid, van het Vreemdelingenbesluit (Vb), als zware gronden vermeld dat eiser:
3a. Nederland niet op de voorgeschreven wijze is binnengekomen, dan wel een poging daartoe heeft gedaan;
3b. zich in strijd met de Vreemdelingenwetgeving gedurende enige tijd aan het toezicht op vreemdelingen heeft onttrokken;
3c. eerder een visum, besluit, kennisgeving of aanzegging heeft ontvangen waaruit de plicht Nederland te verlaten blijkt en hij daaraan niet uit eigen beweging binnen de daarin besloten of gestelde termijn gevolg heeft gegeven;
3d. niet dan wel niet voldoende meewerkt aan het vaststellen van zijn identiteit en nationaliteit;
3i. te kennen heeft gegeven dat hij geen gevolg zal geven aan zijn verplichting tot terugkeer; en als lichte gronden vermeld dat eiser:
4a. zich niet aan een of meer andere voor hem geldende verplichtingen van hoofdstuk 4 van het Vb heeft gehouden;
4b. meerdere aanvragen tot het verlenen van een verblijfsvergunning heeft ingediend die niet tot verlening van een verblijfsvergunning hebben geleid;
4c. geen vaste woon- of verblijfplaats heeft;
4d. niet beschikt over voldoende middelen van bestaan.
3. Eiser heeft de zware en lichte gronden van de maatregel niet betwist. Naar het oordeel van de rechtbank zijn de zware gronden feitelijk juist en voldoende gemotiveerd. De zware gronden zijn voldoende om de maatregel van bewaring te kunnen dragen.
Belangenafweging
4. Eiser stelt zich op het standpunt dat zijn huidige situatie onvoldoende is meegewogen in de maatregel gemaakte belangenafweging. Eiser voert in dat kader aan dat hij een leven heeft opgebouwd in Oostenrijk. Hij woont daar nu al twee jaar samen met zijn Bosnische vriendin, met wie hij wil trouwen, en met haar twee kinderen, die hem als vader zien. De vriendin van eiser heeft een verblijfsvergunning en werk in Oostenrijk. Eiser werkte zwart als loodgieter in Oostenrijk en wil dit legaal gaan doen. Door de inbewaringstelling lukt het eiser niet om verdere stappen te ondernemen om legaal verblijf te krijgen in Oostenrijk en het aan hem opgelegde inreisverbod staat hier ook aan in de weg. Eiser wil graag overgedragen worden aan Oostenrijk, of aan Bosnië waar hij wil trouwen met zijn vriendin.
5. De rechtbank is van oordeel dat de feiten en omstandigheden die eiser aanvoert in het kader van de belangenafweging geen aanleiding zijn om de bewaring op te heffen. Eiser heeft geen rechtmatig verblijf in Oostenrijk (en overigens de EU) of Bosnië en kan daarom niet naar deze landen worden uitgezet. Het feit dat eiser bezig was om in Oostenrijk een leven op te bouwen doet daar niet aan af. Het leven dat eiser in Oostenrijk heeft opgebouwd heeft ook niet gemaakt dat Oostenrijk heeft afgezien van de overdracht van eiser naar Nederland in het kader van de Dublinverordening. De vertegenwoordiger van de minister heeft op zitting verder aangegeven dat eiser desgewenst vanuit Algerije zijn verblijfsrecht voor Oostenrijk kan en moet regelen. Wanneer eiser rechtmatig verblijf heeft in Oostenrijk kan hij aan Nederland om opheffing van het aan hem opgelegde inreisverbod vragen. Op 26 juli 2024 heeft de minister een laissez passer aanvraag naar Algerije verstuurd. De rechtbank is dan ook van oordeel dat er voldoende voortvarend wordt gewerkt aan de uitzetting van eiser naar Algerije en dat het belang van de minister om eiser in bewaring te houden zwaarder weegt dan het door eiser gestelde belang. De beroepsgrond slaagt niet.
Ambtshalve toetsing
6. De rechtbank moet ook ambtshalve toetsen of de maatregel van bewaring tot het moment van sluiten van het onderzoek op enig moment onrechtmatig was. Op grond van de stukken en wat op de zitting is besproken, is de rechtbank van oordeel dat dit niet het geval is.
Conclusie
7. Het beroep is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank:
  • verklaart het beroep ongegrond;
  • wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. N.M. Spelt, rechter, in aanwezigheid van R.A. Oelen, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
12 augustus 2024

Documentcode: [documentcode]

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking.