ECLI:NL:RBDHA:2024:14295
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Ongegrond beroep tegen maatregel van bewaring in vreemdelingenzaak
Eiser, van Algerijnse nationaliteit, werd op 21 augustus 2024 in bewaring gesteld door verweerder op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet. Eiser stelde dat hij niet voorafgaand aan de bewaring adequaat was gehoord en dat zijn nationaliteit niet juist was vastgesteld, wat volgens hem de maatregel onrechtmatig maakte.
De rechtbank constateerde een gebrek in het voortraject omdat het proces-verbaal van het gehoor niet volledig was, maar oordeelde dat dit gebrek niet leidde tot onrechtmatigheid omdat verweerder tijdens het latere gehoor de redenen voor het opleggen van de bewaring duidelijk had gemaakt en eiser niet concreet had toegelicht hoe hij in zijn belangen was geschaad.
Verweerder had de bewaring gebaseerd op meerdere zware gronden, waarvan enkele tijdens de zitting waren komen te vervallen. De rechtbank oordeelde dat de overige zware en lichte gronden feitelijk juist en voldoende gemotiveerd waren, waaronder het ontbreken van een geldig paspoort en het niet melden bij de autoriteiten.
Eiser had aangevoerd dat hij meewerkte aan terugkeer en dat zijn nationaliteit was bevestigd, maar dit weerlegde de rechtbank met het ontbreken van identiteitsdocumenten en onvoldoende inspanningen van eiser om deze te verkrijgen. De belangenafweging van verweerder was voldoende individueel en zorgvuldig gemaakt, inclusief de medische situatie van eiser.
Het beroep werd ongegrond verklaard, het verzoek om schadevergoeding afgewezen, maar verweerder werd veroordeeld tot betaling van de proceskosten van €1.750 aan de rechtsbijstandverlener van eiser.
Uitkomst: Het beroep tegen de maatregel van bewaring wordt ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding afgewezen.