ECLI:NL:RBDHA:2024:14320
Rechtbank Den Haag
- Voorlopige voorziening
- Rechtspraak.nl
Afwijzing beroep tegen niet in behandeling nemen asielaanvraag op grond van Dublinverordening
Eiser, met Iraakse nationaliteit, heeft een asielaanvraag ingediend die door de minister van Asiel en Migratie niet in behandeling is genomen omdat Duitsland verantwoordelijk is voor de behandeling van zijn aanvraag volgens de Dublinverordening.
Eiser stelt dat hij in Duitsland in onzekerheid verkeerde en dat zijn overdracht aan Duitsland van onevenredige hardheid getuigt, mede omdat hij zijn asielrelaas niet goed kon presenteren. Hij betoogt dat de minister het verzoek had moeten aanhouden op grond van artikel 17 van Pro de Dublinverordening en dat het besluit onzorgvuldig en onvoldoende gemotiveerd is.
De rechtbank oordeelt dat de minister zich op het interstatelijk vertrouwensbeginsel mag baseren en dat er geen bijzondere omstandigheden zijn die rechtvaardigen dat Nederland de asielaanvraag aan zich trekt. De enkele stellingen van eiser zijn niet voldoende onderbouwd en het aanmeldgehoor bevestigt dat eiser geen problemen in Duitsland heeft ervaren.
Daarom verklaart de rechtbank het beroep kennelijk ongegrond en verklaart de voorzieningenrechter het verzoek om voorlopige voorziening niet-ontvankelijk. Eiser krijgt geen proceskostenvergoeding.
Uitkomst: Het beroep tegen het niet in behandeling nemen van de asielaanvraag wordt ongegrond verklaard en het verzoek om voorlopige voorziening niet-ontvankelijk.