ECLI:NL:RBDHA:2024:14335

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
19 augustus 2024
Publicatiedatum
9 september 2024
Zaaknummer
C/09/670157 / JE RK 24-1378
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Beschikking
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:265b BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Machtiging tot voortzetting uithuisplaatsing minderjarige in jeugdhulpaccommodatie

De zaak betreft een verzoek van de gecertificeerde instelling tot machtiging tot uithuisplaatsing van een minderjarige, geboren in 2007, die sinds oktober 2023 uit huis is geplaatst vanwege zorgen over haar ontwikkeling en veiligheid.

De minderjarige verbleef aanvankelijk op gesloten groepen en maakte positieve stappen. Er werd ingezet op terugkeer naar huis bij de moeder, maar dit bleek niet haalbaar vanwege een verstoorde verstandhouding en onvoldoende sturing en veiligheid thuis. De minderjarige zelf wil niet terug naar huis.

De kinderrechter heeft de moeder en de gecertificeerde instelling gehoord; de vader is niet verschenen. De kinderrechter oordeelt dat voortzetting van de plaatsing in een open groep bij een jeugdhulpaanbieder noodzakelijk is in het belang van de verzorging en opvoeding, en wijst het verzoek toe. De beschikking wordt uitvoerbaar bij voorraad verklaard en geldt van 9 augustus 2024 tot 9 januari 2025.

Er is tevens aandacht voor het zoeken naar een open groep buiten de huidige regio om spanningen en veiligheidsrisico's te verminderen, en voor het veilig vormgeven van het contact tussen de minderjarige en haar familie.

Uitkomst: De kinderrechter verleent de machtiging tot voortzetting van de uithuisplaatsing van de minderjarige in een jeugdhulpaccommodatie tot 9 januari 2025.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Jeugd- en Zorgrecht
Zaaknummer: C/09/670157 / JE RK 24-1378
Datum uitspraak: 19 augustus 2024
Beschikking van de kinderrechter over een machtiging tot uithuisplaatsing
in de zaak van
Stichting Jeugdbescherming west Zuid-Holland, gevestigd te [woonplaats 1] ,
hierna te noemen: de gecertificeerde instelling,
over
[minderjarige], geboren op [geboortedatum] 2007 in [geboorteplaats] , Irak,
hierna te noemen: [minderjarige] .
De kinderrechter merkt als belanghebbenden aan:
[de moeder],
hierna te noemen: de moeder,
wonende in [woonplaats 1] ,
[de vader],
hierna te noemen: de vader,
wonende in [woonplaats 2] .

1.Het verloop van de procedure

1.1.
De kinderrechter neemt de volgende stukken mee in haar beoordeling:
- het verzoekschrift met bijlagen, ontvangen op 26 juli 2024.
1.2.
De kinderrechter heeft besloten de vader en de moeder gescheiden te horen. De gecertificeerde instelling is opgeroepen voor beide tijdstippen waarop de mondelinge behandeling plaats zou vinden.
1.3.
De mondelinge behandeling met gesloten deuren heeft plaatsgevonden op 19 augustus 2024. Daarbij zijn voor het eerste deel van de behandeling verschenen:
  • [naam 1] en [naam 2] namens de gecertificeerde instelling;
  • de moeder, ondersteund door een tolk.
Voor het tweede deel van de behandeling zijn verschenen:
- [naam 1] en [naam 2] namens de gecertificeerde instelling.
De vader is niet verschenen. De kinderrechter stelt vast dat de vader wel juist is opgeroepen.
1.4.
De kinderrechter heeft [minderjarige] naar haar mening gevraagd. [minderjarige] heeft hierover een gesprek gevoerd met de kinderrechter. Tijdens de mondelinge behandeling heeft de kinderrechter -met goedkeuring- verteld dat [minderjarige] een opleiding wil gaan doen richting Horeca.

2.De feiten

2.1.
Het huwelijk van de vader en de moeder is door echtscheiding ontbonden.
2.2.
De vader en de moeder zijn belast met het ouderlijk gezag over [minderjarige] .
2.3.
[minderjarige] verblijft in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder, te weten bij [accomodatie] (Enver).
2.4.
De kinderrechter in deze rechtbank heeft bij beschikking van 9 januari 2024 [minderjarige] onder toezicht gesteld tot 9 januari 2025.
2.5.
De kinderrechter in deze rechtbank heeft bij beschikking van 8 juli 2024 een machtiging verleend om [minderjarige] gedurende dag en nacht uit huis te plaatsen in een gesloten accommodatie voor jeugdhulp tot 9 oktober 2024.

3.Het verzoek

3.1.
De gecertificeerde instelling verzoekt de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder voor de duur van de ondertoezichtstelling, met uitvoerbaarverklaring bij voorraad.
3.2.
De gecertificeerde instelling heeft het verzoek – samengevat en zakelijk weergegeven – als volgt gemotiveerd. Tot voor kort werd ingezet op een thuisplaatsing van [minderjarige] bij de moeder. Bij de vorige zitting aangaande de gesloten plaatsing, op 8 juli 2024, was [minderjarige] echter niet aanwezig. Zij is sindsdien lange tijd onvindbaar geweest. Op 18 juli 2024 heeft de jeugdbeschermer met [minderjarige] en haar zus afgesproken dat [minderjarige] onder voorwaarden voorlopig bij haar zus kan blijven tot er een open groep voor haar beschikbaar zou zijn. [minderjarige] heeft zich echter niet aan de gemaakte afspraken gehouden. Inmiddels verblijft [minderjarige] op de open groep [accomodatie] van Enver. [minderjarige] houdt zich aan de regels en gaat goed om met haar vrijheden. De moeder is tot de conclusie gekomen dat zij [minderjarige] niet de juiste sturing kan geven en dat thuis wonen geen optie is. Ook [minderjarige] zelf geeft aan niet terug te willen naar huis. Het is de bedoeling dat [minderjarige] op termijn doorstroomt naar een studio of kamertrainingscentrum. Daarvoor is het belangrijk dat zij de komende tijd werkt aan haar zelfstandigheid. Om de plaatsing bij [accomodatie] te formaliseren is een machtiging uithuisplaatsing in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder nodig. De gecertificeerde instelling heeft ter zitting toegelicht dat er gezocht wordt naar een andere open instelling buiten de [regio] . De verwachting is dat dit zowel bij [minderjarige] als haar familie voor meer rust gaat zorgen, omdat zij dan minder kans hebben om elkaar op straat tegen te komen. De komende periode zal ook bezien moeten worden hoe het contact tussen [minderjarige] en haar familie op een veilige en verantwoorde wijze vormgegeven kan worden.

4.De standpunten van de belanghebbenden

4.1.
De moeder heeft ingestemd met het verzoek.

5.De beoordeling

5.1.
Op basis van de stukken en de mondelinge behandeling is de kinderrechter van oordeel dat de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] noodzakelijk is in het belang van de verzorging en opvoeding (artikel 1:265b, eerste lid, Burgerlijk Wetboek).
5.2.
Daartoe overweegt de kinderrechter als volgt. [minderjarige] is sinds oktober 2023 uit huis geplaatst omdat er zorgen waren over haar ontwikkeling en veiligheid. Zij heeft sindsdien op verschillende gesloten groepen gezeten en heeft daar positieve stappen gezet. Er zou dan ook ingezet worden op een thuisplaatsing van [minderjarige] bij de moeder. De afgelopen periode is echter gebleken dat een thuisplaatsing (nog) niet haalbaar is. De verstandhouding tussen de moeder en [minderjarige] is verstoord en zij hebben op dit moment niet tot nauwelijks contact. Daarnaast zijn er grote zorgen of de moeder [minderjarige] wel de juiste kaders en sturing kan geven en of zij de veiligheid van [minderjarige] thuis voldoende kan waarborgen. De kinderrechter vindt het daarom noodzakelijk dat de plaatsing op de open groep [accomodatie] voortgezet wordt, in afwachting van beschikbaarheid van een plaats op een open groep elders. Ter zitting is in dat verband besproken dat het belangrijk is dat de gecertificeerde instelling met grote voortvarendheid zoekt naar een open groep buiten de regio [woonplaats 1] ; de huidige plaatsing brengt niet alleen onrust en spanningen bij de gehele familie maar ook veiligheidsrisico’s voor [minderjarige] met zich mee.
De kinderrechter zal het verzoek, waartegen geen verweer is gevoerd, toewijzen als verzocht.

6.De beslissing

De kinderrechter:
6.1.
verleent een machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder met ingang van 9 augustus 2024 tot 9 januari 2025;
6.2.
verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad.
Deze beslissing is gegeven en in het openbaar uitgesproken op 19 augustus 2024 door mr. M.H. Rochat, kinderrechter, in aanwezigheid van mr. J.M. Dreef als griffier. De schriftelijke uitwerking is vastgesteld op 5 september 2024.
Hoger beroep tegen deze beschikking kan worden ingesteld:
  • door de verzoeker en degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
  • door andere belanghebbenden binnen drie maanden na de betekening daarvan of nadat de beschikking aan hen op een andere wijze bekend is geworden.
Het hoger beroep moet, door tussenkomst van een advocaat, worden ingediend bij de griffie van het gerechtshof te Den Haag.