ECLI:NL:RBDHA:2024:14349
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- I.A.M. van Boetzelaer - Gulyas
- Rechtspraak.nl
Afwijzing visum kort verblijf wegens onvoldoende aannemelijkheid doel en binding met land van herkomst
Eiseres heeft beroep ingesteld tegen de afwijzing van haar aanvraag voor een visum kort verblijf, nadat de minister van Buitenlandse Zaken haar bezwaar kennelijk ongegrond had verklaard. De rechtbank heeft op 5 augustus 2024 de zaak behandeld en beoordeelt of de minister de hoorplicht heeft geschonden en of het doel en de omstandigheden van het voorgenomen verblijf voldoende zijn aangetoond.
De rechtbank oordeelt dat de minister terecht van de hoorplicht heeft afgezien omdat het bezwaar kennelijk ongegrond was en eiseres onvoldoende bewijsstukken heeft overgelegd om haar stellingen te onderbouwen. Het doel van het verblijf, familiebezoek, is onvoldoende aannemelijk gemaakt omdat de relatie met de referent niet overtuigend is aangetoond. Ook de sociale en economische binding van eiseres met Syrië is onvoldoende onderbouwd, ondanks haar stellingen over haar gezinssituatie en pensioen.
De rechtbank concludeert dat de minister binnen zijn beoordelingsmarge heeft gehandeld en dat het beroep ongegrond is. Het bestreden besluit blijft daarmee in stand en eiseres krijgt geen vergoeding van griffierecht. Tegen deze uitspraak is geen hoger beroep mogelijk.
Uitkomst: Het beroep tegen de afwijzing van het visum kort verblijf wordt ongegrond verklaard en het besluit blijft in stand.