ECLI:NL:RBDHA:2024:1438
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Weigering bevestiging optieverklaring Nederlanderschap na verlies door moeder
Eiser, geboren in 1989 in het buitenland, verloor het Nederlanderschap op 1 januari 1995 door het verlies van het Nederlanderschap van zijn moeder, die destijds in het buitenland woonde. Eiser legde een optieverklaring af om het Nederlanderschap te verkrijgen, maar de minister van Buitenlandse Zaken weigerde deze te bevestigen. De rechtbank oordeelt dat het verlies van het Nederlanderschap van eiser terecht is vastgesteld en dat de minister de optieverklaring terecht heeft geweigerd.
Eiser voerde aan dat het verlies van het Nederlanderschap en het daarmee gepaard gaande verlies van het Unieburgerschap onevenredig was en dat de minister onvoldoende rekening had gehouden met zijn situatie en die van zijn moeder. Ook stelde hij dat hij als minderjarige niet kon stuiten op het verlies en dat de overheid onvoldoende had geïnformeerd. De rechtbank verwijst naar het Tjebbes-arrest van het Europees Hof van Justitie, waarin is bepaald dat het verlies van het Nederlanderschap niet per definitie in strijd is met het Unierecht, maar dat een individuele evenredigheidstoets moet plaatsvinden.
De rechtbank stelt vast dat de minister het advies van de Immigratie- en Naturalisatiedienst (IND) zorgvuldig heeft gevolgd en dat het verlies van het Nederlanderschap op het moment van het verlies niet onevenredig was. De situatie van de moeder hoeft niet te worden betrokken bij de individuele toets. Verder is onvoldoende concreet gemaakt dat eiser in zijn privéleven is geschaad door het verlies. De rechtbank oordeelt dat het beroep ongegrond is en dat eiser geen recht heeft op vergoeding van proceskosten of griffierecht.
Uitkomst: Het beroep van eiser wordt ongegrond verklaard en de optieverklaring wordt niet bevestigd.